Nine Eleven, tien jaar later

Het koninkrijk en de torens

Zat er een vreemde mogendheid achter de aanslagen van 9/11? Tien jaar later kennen de Amerikanen nog steeds niet het hele verhaal, en een belangrijk 28-pagina tellend deel van het rapport van de Congress Joint Inquiry blijft gecensureerd. Op basis van jaren van lekken en aanwijzingen in een bewerking van hun nieuwe boek bestuderen Anthony Summers en Robbyn Swan de betrekkingen tussen Saoedi-Arabië en de kapers (van wie 15 Saoedi’s waren), het besluit van het Witte Huis van Bush om bewijs te negeren of te verhullen, en de frustratie van belangrijke onderzoekers -inclusief 9/11-commissie stafleden, contraterrorisme functionarissen en senatoren van beide zijden.

augustus 2011

VERONTRUSTENDE LINKS V.l.n.r: Koning Abdullah, Prins Naif, Osama bin Laden, Prins Bandar en Prins Turki—Allemaal Saoedis, net als 15 van de 19 kapers van 9/11. Grote foto van Allan Tannenbaum/Polaris; onder, v.l.n.r. van Ludovic/REA/Redux, Li Zhen/Xinhua/Landov, van Getty Images, Hassan Ammar/AFP/Getty Images, Hasan Jamali/A.P. Images.

Bewerkt uit The Eleventh Day door Anthony Summers en Robbyn Swan, deze maand gepubliceerd door Ballantine Books; © 2011 van de auteurs.

De grote vraag over 9/11 is nu na tien jaar nog onopgelost. De vraag was, zoals 9/11-commissievoorzitter Thomas Kean en Lee Hamilton zich herinnerden, ‘Hadden de kapers steun van vreemde mogendheden?’ Er was informatie die naar het antwoord wees, maar de commissieleden meenden kennelijk dat het te verontrustend was om dat antwoord openbaar te maken.

Het idee dat Al-Qaeda niet alleen had gehandeld was er al vanaf het begin. ‘De terroristen functioneren niet in een vacuüm,’ zei minister van Defensie Donald Rumsfeld tegen verslaggevers in de week na 9/11. ‘Ik weet veel, en wat ik heb gezegd, zo duidelijk als ik maar kan, is dat er staten zijn die deze mensen steunen.’ Toen hij om nadere toelichting werd gevraagd, zweeg Rumsfeld een hele tijd. Toen zei hij dat het gevoelig materiaal was en veranderde van onderwerp.

Drie jaar later zou de commissie bepalen welke van drie vreemde mogendheden in het bijzonder een rol kan hebben gespeeld in de aanslagen. Twee waren gezworen vijanden van de Verenigde Staten: Irak en Iran. De derde was lang doorgegaan voor een goede vriend: Saoedi-Arabië.

In het rapport zei de commissie dat het geen bewijs had aangetroffen dat erop wees dat Irak met Al-Qaeda samenwerkte aan de ontwikkeling en de uitvoering van aanslagen tegen de Verenigde Staten.’

Iran, zo ontdekte de commissie, heeft lang contact gehad met Al-Qaeda en had Al-Qaeda-leden—waaronder een paar toekomstige kapers—vrij laten reizen via hun luchthavens. Hoewel er geen bewijs was dat Iran ‘op de hoogte was van de plannen voor wat later de aanslag 9/11 werd’, verzochten de commissieleden de overheid nader onderzoek te doen.

Dit jaar, eind mei, zeiden advocaten voor de familieleden van mensen die op 9/11 zijn omgekomen, dat er een nieuwe, onthullende getuigenverklaring was van drie Iranese overlopers. Dietrich Snell, een vroegere senior commissie adviseur, zei in een beëdigde verklaring dat er nu ‘overtuigend’ bewijs was dat de regering van Iran materiële steun verleende aan Al-Qaeda voor de plannen en de uitvoering van de aanslag van 9/11’. Dat bewijs is echter nog niet bekend gemaakt.

Voor wat betreft Saoedi-Arabië, Amerika’s zogenaamde vriend, zou je naar aanleiding van de reactie van de Saoedische ambassadeur, Prins Bandar bin Sultan, denken dat de commissie niets dubieus had gevonden in de rol die zijn land heeft gespeeld. ‘De heldere verklaringen van deze onafhankelijke, tweeledige commissie’, zo zei hij, ‘hebben de mythes tot de juiste proporties teruggebracht die angst en twijfel over Saoedi-Arabië zaaiden.’ Maar geen enkele bevinding in het rapport sloot Saoedi-Arabië categorisch uit.

Het besluit van de commissie over wat ze over dit punt zouden zeggen werd genomen in een sfeer van onenigheid en spanningen. Laat op een avond in 2004, toen last-minute wijzigingen in het rapport werden aangebracht, kregen onderzoekers die aan de Saoedi zaak hadden gewerkt alarmerend nieuws. Hun teamleider, Dietrich Snell, had zich op het kantoor opgesloten met Executive Director Philip Zelikow, en bracht grote wijzigingen aan in het materiaal en schrapte sleutelelementen.

De onderzoekers, Michael Jacobson en Rajesh De, haasten zich naar het kantoor om Snell te confronteren. Behoedzaam als een jurist zei hij dat hij meende dat er onvoldoende bewijsmateriaal was voor hun zaak tegen de Saoedi’s. Ze overwogen af te treden en sloten toen een compromis. Veel van de rake informatie die ze hadden verzameld zou in het rapport blijven staan, maar alleen in kleine lettertjes, weggemoffeld in voetnoten.

De commissieleden zeiden in de hoofdtekst van het rapport wel dat de lange, officiële vriendschap tussen de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië niet onvoorwaardelijk kon zijn. De betrekkingen moeten over meer dan olie gaan, maar ook over—en dit vet gedrukt—‘een commitment om de gewelddadige extremisten te bestrijden die haat zaaien’.

Het was heel lang helemaal niet duidelijk of de Saoedi’s die commitment hadden. Meer dan zeven jaar voor 9/11 was de eerste secretaris in de Saoedische missie in de Verenigde Naties, Mohammed al-Khilewi, overgelopen naar de Verenigde Staten, en bracht duizenden pagina’s tellende documenten mee die, zo zei hij, de corruptie van het regime aan toonden, het schenden van de mensenrechten en steun aan terrorisme. Hij stuurde ook een brief aan de toenmalige kroonprins Abdullah met de wens voor ‘een stap naar de democratie’. Het antwoord van de Saoedische koninklijke familie was volgens Khilewi een bedreiging van zijn leven. De Amerikaanse regering bood hem echter weinig bescherming. F.B.I. officials weigereden bovendien de documenten die de overgelopen diplomaat had meegebracht aan te nemen.

Ter ondersteuning van zijn bewering dat Saoedi-Arabië terrorisme steunde, sprak Khilewi over een episode betreffende de eerste poging, in 1993, om de Twin Towers van het World Trade Center te vernietigen. ‘Een Saoedisch staatsburger met een Saoedisch diplomatiek paspoort,’ zei hij, ‘gaf geld aan Ramzi Yousef, het brein achter de bom in het World Trade Center,’ toen de Al-Qaeda terrorist op de Filippijnen was. De Saoedische betrekkingen met Yousef, beweerde de overloper, ‘is geheim en loopt via de Saoedische inlichtingendienst.’

De verwijzing naar een Saoedisch staatsburger die geld aan Yousef zou hebben gegeven, past naadloos in de rol die de zwager van Osama bin Laden, Jamal Khalifa, heeft gespeeld. Hij was actief op de Filippijnen, deed zich voor als organisator van liefdadigheid in die periode, en stichtte een liefdadigheidsinstelling die geld gaf aan Yousef en Khalid Sheikh Mohammed, het Al-Qaeda brein achter 9/11, tijdens de eerste plannen om Amerikaanse vliegtuigen te vernietigen.

Toen Khalifa naar Saoedi-Arabië terugkeerde in 1995—na detentie in de Verenigde Staten en vrijspraak van een aanklacht wegens terrorisme in Jordanië — werd hij volgens de C.I.A. bin Laden chief Michael Scheuer, met een limousine opgewacht en kreeg een welkom-thuis van een ’hoge functionaris’. Een Filippijnse krant suggereerde dat de functionaris Prins Sultan was geweest, toen vicepremier en minister van defensie en luchtvaart, en tegenwoordig de Saoedische troonopvolger.

Volgens gepubliceerde rapporten kwam in juni 1996, in Parijs voor de biënnale internationale wapen bazaar, een groep inclusief een Saoedische prins en Saoedische financiers bijeen in het Royal Monceau hotel, vlakbij de Saoedische Ambassade. Het onderwerp was bin Laden en wat er met hem moest gebeuren. Na twee recente bomaanslagen op Amerikaanse doelen in Saoedi-Arabië, een waarvan diezelfde maand, was men bang dat de Saoedische elite zelf binnenkort het doelwit zou zijn. Op de vergadering in het Monceau werd volgens de Franse inlichtingendienst besloten dat bin Laden in bedwang moest worden gehouden door betaling van gigantische bedragen aan beschermingsgeld.

In beëdigde verklaringen na 9/11 zei voormalige Taliban inlichtingenhoofd Mohammed Khaksar dat Prins Turki, chef van Saoedi-Arabië’s General Intelligence Ministry (G.I.D.) in 1998 een deal afsloot waarin bin Laden toestemde geen Saoedi doelwitten aan te vallen. In ruil daarvoor zou Saoedi-Arabië fondsen en materiële hulp bieden aan de Taliban, niet om uitlevering van bin Laden vragen en geen druk uitoefenen om de trainingskampen van Al-Qaeda te sluiten. Saoedische bedrijven zouden ondertussen zorgen dat er ook geld direct naar bin Laden zou gaan.

Speciale betrekkingen

Na 9/11 ontkende Prins Turki dat er zo’n overeenkomst met bin Laden was gesloten. Andere Saoedi royals kunnen echter misschien betrokken zijn bij omkoping. Een vroeger lid van de Clintonregering beweerde—en de Amerikaanse inlichtingendienst bevestigde dat, dat ten minste twee Saoedi prinsen voor het koninkrijk vanaf 1995 iets wat neerkomt op beschermingsgeld hebben betaald. De vroegere functionaris voegde eraan toe, ‘De deal was dat ze een oogje zouden sluiten voor was hij elders deed. ‘Je doet niets hier, en wij houden je elders niet tegen.’

Officiële Amerikaanse en Britse bronnen noemden later in gesprekken met Simon Henderson, Baker Fellow aan het de Washington Institute for Near East Policy de twee prinsen in kwestie. Henderson zei tegen de auteurs dat het ging om Prins Naif, de minister van binnenlandse zaken, en Prins Sultan. Al die betalingen zouden volgens Henderson’s bronnen ‘honderden miljoenen dollars’ bedragen. Het was ‘officieel Saoedi geld—niet hun eigen geld’.

Vóór 9/11 merkten Amerikaanse functionarissen dat het in Riyadh het meestal geen zin had om de Saoedis om hulp te vragen bij de bestrijding van terrorisme. George Tenet, directeur van de C.I.A. tijdens Bill Clinton’s tweede ambtsperiode, herinnerde zich nog goed een audiëntie bij Prins Naif, de broer van de kroonprins. Naif, aan het hoofd van de binnenlandse inlichtingendienst, begon het gesprek met ‘een eindeloze monoloog over de geschiedenis van de ‘bijzondere’ betrekkingen tussen Amerika en Saoedi-Arabië, en hoe de Saoedi’s nooit maar dan ook nooit veiligheidsgerelateerde informatie voor hun Amerikaanse bondgenoten verborgen zouden houden’.

Tenet had er op een zeker moment genoeg van. Hij brak met de koninklijke etiquette en legde zijn hand op de knie van de prins en zei, ‘Hoogheid, hoe zou u het vinden als ik op een dag de Washington Post zou moeten vertellen dat u gegevens achter hebt gehouden die ons geholpen zouden kunnen hebben om de Al-Qaeda moordenaars op te sporen?’ Naif’s reactie was, dacht Tenet, iets wat op een ‘langdurig staat van shock’ leek.

Tijdens de vlucht van Saoedi-Arabië naar huis, eind jaren 90, zei F.B.I. directeur Louis Freeh tegen John O’Neill, hoofd contraterrorisme, dat hij de Saoedi functionarissen die ze op hun trip hadden ontmoet, behulpzaam vond. ‘Een grapje zeker’, antwoordde O’Neill, een echte New Jersey man die er nooit omheen draaide. ‘Ze hebben ons niets gegeven. Ze zaten ons alleen maar een beetje te slijmen.’

Een paar jaar later, in twee lange gesprekken met Jean-Charles Brisard, auteur van een onderzoek naar de financiering van terroristen voor een France inlichtingendienst, gaf O’Neill nog steeds lucht aan zijn frustraties. ‘Alle antwoorden, alle aanwijzingen die ons in staat zouden kunnen stellen om de organisatie van Osama bin Laden te ontmantelen,’ zo zei hij, ‘liggen in Saoedi-Arabië.’ De antwoorden en aanwijzingen blijven echter buiten bereik, gedeeltelijk omdat, zo zei O’Neill tegen Brisard, de Amerikaanse afhankelijkheid van Saoedi olie betekende dat Saoedi-Arabië ‘veel meer macht over ons heeft dan wij over hun.’ En, zo voegde hij eraan toe, omdat ‘hooggeplaatste persoonlijkheden en families in het Saoedische koninkrijk’ nauwe banden met bin Laden hadden.
Deze gesprekken vonden juni en eind juli 2001 plaats.

Vanuit zijn residentie buiten Washington haastte prins Bandar zich de morgen van 11 september een ambassadeverklaring uit te laten gaan. Daarin stond dat het koninkrijk ‘de betreurenswaardige, onmenselijke bombardementen en handelingen die vandaag plaatsvonden afkeurde. . . . Saoedi-Arabië veroordeelt dit soort daden die tegen alle religieuze waarden en menselijke beschaving indruisen en stuurt welgemeende condoleances.'

Achter het politieke toneel, en over het voortetterende onderwerp Israel, waren de betrekkingen tussen Riyadh en Washington onlangs ongekend wankel geworden. Kroonprins Abdullah was lang woedend geweest over Amerika’s ogenschijnlijke zelfgenoegzaamheid inzake het lot van de Palestijnen. Dat voorjaar had hij bits een uitnodiging van het Witte Huis afgeslagen. Drie weken voor 9/11, woedend over een televisiefilm over een Israëlische soldaat die met zijn laars op het hoofd van een Palestijnse vrouw stond, knapte er iets. Bandar, neef van de kroonprins, moest een vastberaden boodschap aan President Bush overbrengen.

‘Ik wijs deze buitengewoon on-Amerikaanse bevooroordeeldheid af als zou het bloed van een kind van Israel kind heiliger en meer waard zijn dan het bloed van een kind van Palestina. . . . Er komt een tijd dat volkeren en naties uiteengaan. . . . Vanaf vandaag gaan wij onze eigen weg en jullie jullie weg. Van nu af aan beschermende wij onze nationale belangen, ongeacht waar de Amerikaanse belangen in de regio liggen.’  Er volgende nog veel meer en de regering van Bush was onthutst. De president reageerde met een verzoenende brief die heel ver met de Saoedische houding meeging inzake de goedkeuring van de creatie van een levensvatbare Palestijnse staat.

Toen kwamen de schokkende gebeurtenissen van dinsdag 11 september. In Riyadh trok Abdullah – nu op zijn beurt verzoenend- binnen 24 uur aan de hefboom die zijn natie haar enige echte macht gaf, het economische zwaard dat het naar eigen goeddunken kon trekken. Hij gaf opdracht negen miljoen vatten olie naar de Verenigde Staten te sturen in de twee daaropvolgende weken. Men zegt dat de zekerheid van de bevoorrading het effect had af te wenden wat anders een mogelijkheid was geweest – een olietekort dat de prijzen de pan uit had doen rijzen, en bovenop de economische gevolgen van 9/11 een grote financiële crisis had veroorzaakt.

Hierbij kwam op woensdag 12 september onrustbarend nieuws. In een telefoongesprek die avond vertelde een C.I.A. man Ambassadeur Bandar dat 15 van de kapers Saoedi’s waren. Voor Bandar voelde het alsof de wereld om hem heen instortte. ‘Dat was een ramp’, zei buitenlands adviseur Adel al-Jubeir van kroonprins Abdullah, ‘want bin Laden had op dat moment Saoedi-Arabië volgens de Amerikanen tot een vijand gemaakt.’

Koninklijke en rijke Saoedi’s verlieten de Verenigde Staten hals over kop. Vijfenzeventig koninklijke personen met gevolg die in het Caesars Palace hotel en casino in Las Vegas verbleven, verhuisden enkele uren na de aanslag naar het Four Seasons. Ze voelden zich ‘zeer bezorgd over hun persoonlijke veiligheid’ zeiden ze tegen het plaatselijke F.B.I. hoofdkantoor, en het Four Seasons leek de bodyguards kennelijk veiliger.

Onder de vertrekkende Saoedi’s in Washington waren ook leden van de bin Laden familie. Een van Osama’s broers, wiens naam nooit openlijk genoemd is, belde snel de Saoedische ambassade om te weten waar het voor hem het veiligste zou zijn. Hij werd in een kamer in het Watergate Hotel geïnstalleerd en geadviseerd daar te blijven tot er vervoer beschikbaar was. Over het hele land stonden meer dan 20 bin Laden familieleden en personeel klaar om te vertrekken.

In Lexington, Kentucky, het mecca van paardenrennen van Amerika, bevond zich prins Ahmed bin Salman, een neefje van koning Fahd, voor de jaarlijkse jaarlingenverkoop. Na de aanslag verzamelde Ahmed snel zijn familieleden en keerde terug naar Saoedi-Arabië. Hij beval zijn zoon en een paar vrienden die in Florida waren om een vliegtuig te charteren en naar Lexington te komen om met hetzelfde vliegtuig als hij naar huis te gaan. Dat lukte ze, vertelde een van hen aan een veiligheidsbeambte die voor de vlucht was ingehuurd, omdat ‘zijn vader en zijn oom goede vrienden was met George Bush Sr’.

Later op de avond van de 13e belde de assistent van prins Bandar de F.B.I.vice-directeur contraterrorisme, Dale Watson. Hij had hulp nodig, zei de assistent, om bin Laden ‘familieleden’ het land uit te krijgen. Watson zei dat ze het Witte Huis of Buitenlandse Zaken moesten bellen. Het verzoek kwam contraterrorisme coördinator Richard Clarke ter ore, en hij zou het groene licht voor de vluchten hebben gegeven. Hij zei dat hij ‘zich niet kon herinneren’ te hebben overlegd met een hooggeplaatste persoon.

Een F.B.I. memo van twee jaar na de exodus lijkt te bevestigen dat sommige van de vertrekkende Saoedi's voor het onderzoek relevante informatie zouden kunnen hebben gehad. Op CNN in datzelfde jaar werd Nail al-Jubeir, voorlichter van de Saoedische ambassade, gevraagd of hij duidelijk kon stellen dat niemand op die evacuatievluchten betrokken was geweest bij 9/11, en hij antwoordde dat hij maar zeker was van twee dingen, dat ‘God bestaat en dat we aan het einde van de wereld zullen sterven. Meer weten we niet.’ 

Saoedi's ontkennen

Ondanks het feit dat het bijna onmiddellijk bekend werd dat 15 van de mensen betrokken bij de aanslagen Saoedi's waren, hield President George W. Bush de officiële vertegenwoordiger van Saoedi-Arabië in Washington niet op gepaste afstand. Zelfs op de avond van 13 september liet hij een afspraak met Prins Bandar op het Witte Huis doorgaan. De beide mannen kenden elkaar al jaren. Volgens zeggen begroetten ze elkaar vriendelijk, rookten sigaren op het Truman Balkon en spraken met Vice-President Dick Cheney en de adviseur nationale veiligheid Condoleezza Rice.

Er is een foto van de ontmoeting, die in het verleden is gepubliceerd. Dit jaar echter, toen de auteurs de George W. Bush presidentiële bibliotheek om een kopie vroegen, antwoordde de bibliotheek in een e-mail dat het kantoor van de voormalige president ‘de foto van het balkon nu niet wenste vrij te geven’.

Het zou spoedig duidelijk zijn dat de Bush regering de Saoedi’s niet wilde confronteren maar toenadering wenste. De president zou kroonprins Abdullah uitnodigen de Verenigde Staten te bezoeken, pressie uitoefenen als hij twijfelde en, als hij de uitnodiging aanvaardde, hem op zijn ranch in Texas ontvangen begin 2002. Dick Cheney en Condoleezza Rice waren er ook, evenals minister van Binnenlandse Zaken Colin Powell and First Lady Laura Bush.

Het schijnt dat 9/11 nauwelijks ter sprake kwam. Tijdens een persconferentie brak de president een journalist af toen hij onderwerp aansneed.

Officieel Saoedi-Arabië was uiterst traag in het erkennen van het feit dat bijna alle kapers Saoedische staatsburgers waren. Twee dagen nadat Bandar die informatie kreeg, zei zijn woordvoerder dat de terroristen waarschijnlijk gestolen identiteitskaarten hadden.

‘Er is geen bewijs’, beweerde Sheikh Saleh al-Sheikh, minister van Islamitische Zaken, ‘dat Saoedi’s deze aanslagen pleegden’. Prins Sultan betwijfelde of alleen bin Laden en zijn volgers verantwoordelijk waren, en zinspeelde erop dat ‘een andere macht met geavanceerde technische expertise’ achter 9/11 zou hebben gezeten. In december 2001 zei Prins Naif dat hij nog steeds niet geloofde dat 15 kapers Saoedi's waren.

Pas in februari 2002 erkende Naif de feiten. ‘De namen die we hebben bevestigen [het],’ gaf hij toen toe. ‘Hun familie is ingelicht. . . . Ik ben van mening dat ze zijn misbruikt in naam van de religie, en inzake bepaalde punten in verband met de Arabische natie, met name de kwestie Palestina’. 

Zelfs nadat ze hadden toegegeven, waren Sultan en Naif nog niet overtuigd. Ze begonnen een vertrouwde vijand aan te wijzen. ‘Een paar [Amerikaanse] congresleden met joodse yarmulkes zijn voldoende’, zei Sultan, ‘voor de aantijgingen tegen ons’. Eind 2002 gaf Naif de schuld aan de ‘Zionisten’: ‘Wij zetten grote vraagtekens en vragen wie de aanslagen van 11 september heeft gepleegd en wie er voordeel bij had. Ik denk dat [de Zionisten] erachter zitten´.

In de loop van de volgende maanden suggereerden leidinggevende Saoedi’s dat hun land volledige openheid had betracht met de Verenigde Staten inzake de veiligheid, ze beweerden zelfs dat ze Washington van te voren hadden gewaarschuwd dat er een ramp zou plaatsvinden.

Een jaar na 9/11 lichtte Prins Turki uitgebreid de betrekkingen van de G.I.D. met de C.I.A. toe. ‘Vanaf 1996’, zo schreef hij, ‘wisselde ik, op aanwijzing van de hogere Saoedi leiding, alle inlichtingen die we over bin Laden en Al-Qaeda hadden verzameld uit met de C.I.A. En in 1997 vormde de Saoedi minister van Defensie, Prins Sultan, een gezamenlijke inlichtingencommissie met de Verenigde Staten om informatie over terrorisme in het algemeen en met name over bin Laden (en Al-Qaeda) uit te wisselen´. 

Er zat een kern van waarheid in dit verhaal. De G.I.D. en U.S. diensten hadden een lange, weliswaar ongemakkelijke, afspraak over het uitwisselen van inlichtingen. Andere Saoedi beweringen waren veel alarmerender.

Bandar had net na 9/11 laten doorschemeren dat zowel de Amerikaanse als de Saoedische inlichtingendienst vooraf meer over de kapers hadden geweten dat ze publiekelijk toegaven. In 2007, tegen de tijd dat hij het had gebracht tot adviseur nationale veiligheid voor de voormalige kroonprins, nu koning, Abdullah, deed Bandar echter een sensationele mededeling. ‘De Saoedische veiligheidsdienst had’, zo zei hij, ‘de bewegingen van de meeste terroristen nauwkeurig gevolgd. . . . Als de Amerikaanse veiligheidsdienst hun Saoedische collega’s serieus en geloofwaardig bij de zaak hadden betrokken, dan hadden we volgens mij de gebeurtenissen kunnen voorkomen.’ 

Hoewel er geen officiële Amerikaanse reactie was op die bewering, verwierp de vroegere chef van de bin Laden unit van de C.I.A., Michael Scheuer, hem later in zijn boek Marching Toward Hell: America and Islam After Iraq als een ‘verzinsel’.

Prins Turki was lang daarvoor op de proppen gekomen met een bewering vergelijkbaar met die van Bandar, maar veel specifieker. Hij zei dat eind 1999 begin 2000, vlak voordat de eerste twee toekomstige 9/11 kapers in de Verenigde Staten aankwamen, zijn staf de C.I.A. had geïnformeerd dat beide mannen terroristen waren. ‘We vertelden hen dat deze mensen op onze lijst stonden van eerdere activiteiten van Al-Qaeda, de bommen op de [Oost-Afrikaanse] ambassade en pogingen wapens het Koninkrijk binnen te smokkelen in 1997.’

C.I.A. woordvoerder Bill Harlow wees Turki’s bewering af vanwege ‘totaal gebrek aan bewijs’. Harlow zei dat informatie over de twee toekomstige kapers pas een maand na de aanslagen was doorgegeven. Wat de 9/11 commissie dacht van Turki’s bewering is nooit bekend gemaakt. De National Archives zeiden tegen de auteurs dat ze zelfs niet mochten zeggen of commissiefiles melding maken van een interview met het voormalig hoofd van de G.I.D. Informatie over de achtergrond van de inlichtingen van 9/11 blijft kennelijk zeer gevoelig.

De helpers van de kapers

Saoedi-Arabië was lange tijd een zwart gat voor de officiële Amerikaanse onderzoekers inzake 9/11. Ze kregen bijvoorbeeld geen toegang tot de families van degenen die de aanslagen zouden hebben gepleegd. ‘We krijgen nul samenwerking,’ zei voormalig C.I.A. contraterrorisme chef Vincent Cannistraro een maand na de aanslagen.

In de Verenigde Staten werd het onderzoek echter gedurende ettelijke jaren intensief voortgezet. En sommige van de meest significante informatie bleek te gaan over de twee terroristen waarover Prins Turki had gesproken. Ze zouden zijn uitgekozen door Osama bin Laden om als eersten de Verenigde Staten binnen te gaan, en ze zouden uiteindelijk deel uitmaken van de groep die American Airlines flight 77 zou kapen, het vliegtuig dat gebruikt werd in de aanslag op het Pentagon.

Het waren Khalid al-Mihdhar en Nawaf al-Hazmi, beide Saoedi's, beide ervaren jihadis, heilige strijders, hoewel ze nog maar midden 20 waren. Ze kwamen het land al op 15 januari 2000 binnen via Los Angeles International Airport, met schamele kennis van de Engelse taal en geen enkele ervaring met het leven in het Westen. Het 9/11-commissie rapport verklaarde dat het ‘onwaarschijnlijk’ was dat de twee ‘naar de Verenigde Staten waren gekomen zonder hulp van een of meer personen die vooraf op de hoogte waren van hun komst’.

Het onderzoek identificeerde personen die Mihdhar en Hazmi hadden geholpen of misschien hadden geholpen na hun aankomst in Californië, toevallig of met voorkennis.

Een imam genaamd Fahad al-Thumairy, een geaccrediteerd diplomaat aangesteld door het Saoedische ministerie van Islamitische Zaken om contact te onderhouden met de enorme naburige moskee, werkte in die tijd op het Saoedische consulaat in Los Angeles. Volgens een getuige had Thumairy in die tijd voor twee mensen een autotocht door de streek geregeld, en die twee mensen werden door de getuige van foto’s geïdentificeerd als de twee terroristen.

Een mede-Saoedi, een inwoner van San Diego genaamd Omar al-Bayoumi, die volgens de ondervraagde personen regelmatig contact had met Thumairy, erkende dat hij Mihdhar en Hazmi had ontmoet tijdens een bezoek aan Los Angeles op 1 februari, twee weken na hun aankomst.

Volgens iemand ondervraagd door de F.B.I. had Bayoumi voor de trip gezegd dat hij ‘bezoekers ging ophalen’. Waar iedereen het over eens is, is dat hij de reis per auto maakte, in het gezelschap van een Amerikaanse moslim genaamd Caysan bin Don. Onderweg vertelde Bayoumi volgens bin Don dat hij gewend was naar het consulaat te gaan om religieus materiaal te halen. Ze stopten bij het consulaat, waar, volgens bin Don, een man in een Westers zakenpak met een volle baard Bayoumi begroette en hem mee naar een kantoor nam om te praten. Bayoumi kwam even later naar buiten met een doos Korans. Hij beschreef de ontmoeting anders en was ‘onzeker’ met wie hij had gesproken en ‘kende eigenlijk niemand bij [het Saoedische ministerie van] Islamitische Zaken’.

Beide mannen waren het er echter over eens dat ze verder reden naar een restaurant en dat ze daar—en dit is het cruciale punt in hun verhaal—spraken met de toekomstige kapers Mihdhar en Hazmi, die net waren gearriveerd. Bayoumi en bin Don vertelden de F.B.I. dat de ontmoeting toevallig was.

Bayoumi drong er bij Mihdhar en Hazmi op aan naar San Diego te komen, hielp ze onderdak vinden en hield contact. Op de dag dat de twee terroristen in het appartement trokken dat ze eerst gebruikten, naast Bayoumi, waren er vier gesprekken tussen zijn telefoon en die van de locale imam, de uit New Mexico afkomstige Anwar Aulaqi—die later in het congresrapport over 9/11 werd beschreven als ‘spiritueel adviseur’ voor Mihdhar en Hazmi.

Bayoumi’s inkomen, betaald door Ercan, een dochteronderneming van een toeleverancier van de Saudi Civil Aviation Administration— hoewel hij volgens een medewerknemer geen werk deed – steeg naar verluid enorm na aankomst van de toekomstige kapers. Een andere in San Diego woonachtige Saoedi, Osama Basnan, was ook van belang in het onderzoek naar de 9/11 geldstroom.

Een drie pagina’s tellend deel van het Congress’s Joint Inquiry rapport (het product van de gezamenlijke hearings over de 9/11 aanslagen door de inlichtingencommissies van het Huis en de Senaat), dat meer verborg dan publiceerde, zegt alleen dat Basnan een nauwe medewerker van Bayoumi in San Diego was. Volgens voormalig senator Bob Graham, medevoorzitter van het onderzoek, en volgens persberichten gingen er in 2000 regelmatig cheques van Basnan naar Bayoumi’s vrouw. De betalingen die zogenaamd voor medische behandelingen bestemd waren, waren afkomstig van de Saoedische Ambassade in Washington.

Er zijn verschillende redenen om vragen te zetten bij de activiteit van Thumairy, Bayoumi en Basnan. Thumairy, die bekend stond als fundamentalist, mocht later na 9/11 niet meer in de Verenigde Staten terugkomen op grond van het feit dat hij ‘misschien bij terroristische activiteiten betrokken was’. Bayoumi had jaren daarvoor voor het eerst de aandacht van de F.B.I. opgewekt, en de FBI ontdekte later dat hij ‘connecties had met terroristische elementen’. Hij verliet het land twee maanden voor de aanslagen.

Net als Basnan was zijn naam opgedoken in een contraterrorisme onderzoek een tiental jaren eerder. Hij had naar zeggen een feest georganiseerd voor Omar Abdel Rahman—tegenwoordig berucht als de ‘Blinde Sheikh’, die levenslang kreeg voor zijn aandeel in het opblazen van het World Trade Center en andere New York City landmarks in 1993—toen hij de Verenigde Staten bezocht en eens beweerde dat hij meer deed voor de Islam dan Bayoumi. Een gedeeltelijk gecensureerd commissiedocument suggereert dat, nadat Mihdhar, Hazmi en toekomstige 9/11 medeterroristen in de Verenigde Staten waren aangekomen om te leren vliegen, een Basnan medewerker e-mail- en telefooncontact had met de beschuldigde sleutelfiguur achter 9/11, Ramzi Binalshibh. Een jaar na 9/11 werd Basnan gearresteerd wegens visafraude en uitgezet.

Beschikbare informatie suggereert dat twee van de drie in dienst waren bij of connecties hadden met het Saoedi regime, Thumairy via zijn accreditatie door het ministerie van Islamitische Zaken en Bayoumi via zijn indiensttreding in het bedrijf verbonden met de Saudi Civil Aviation Authority. Ten minste vijf mensen vertelden de F.B.I. dat ze Bayoumi beschouwden als een soort overheidsagent. De C.I.A., zo zei Bob Graham, dacht dat Basnan ook een agent was. Graham citeerde ook een dienstmemo dat verwees naar ‘onweerlegbaar bewijs’ van steun aan de terroristen binnen de Saoedische overheid.

Problematische verhoren

In 2003 en 2004, maar pas na verzoek van hoger hand uit het Witte Huis, kon de 9/11 commissie twee bezoeken afleggen aan Saoedi-Arabië om Thumairy, Bayoumi en Basnan te ondervragen.

De ondervragers, volgens een onlangs uitgegeven commissiememo, meenden dat Thumairy ‘onoprecht was tijdens beide interviews. . . . Zijn antwoorden waren inconsequent of soms in directe tegenspraak met informatie die we uit andere bronnen hebben.’  En bovendien ontkende hij dat hij Bayoumi kende, laat staan Mihdhar en Hazmi. Bij het zien van een foto van Bayoumi gaf hij geen krimp. Hij kende niemand van die naam, zie hij. Toen zei hij na een gefluisterde opmerking van een van de aanwezige Saoedi functionarissen, dat hij van Bayoumi had gehoord, maar alleen via het nieuws over 9/11.

In een tweede interview, zei Thumairy toen de commissie hem vertelde dat hij gezien was met Bayoumi, dat ze hem misschien voor iemand anders hadden aan gezien. Toen hem werd verteld dat telefoonrapporten veel gesprekken tussen zijn telefoons en Bayoumi’s telefoons meldden, vlak voor de aankomst van Mihdhar en Hazmi in de Verenigde Staten, stond Thumairy perplex. Misschien was zijn telefoonnummer aan iemand anders toegewezen na hem? Misschien waren de gesprekken door iemand anders gevoerd op Bayoumi’s telefoon? Alles wat Thumairy opperde was volgens zijn ondervragers ‘onwaarschijnlijk’.

Bayoumi, die eerder was ondervraagd, maakte een gunstiger indruk. Hij bleef bij zijn verhaal dat hij Mihdhar en Hazmi toevallig had ontmoet. Hij zei dat hij ze nauwelijks had gezien nadat ze in San Diego waren gekomen, dat ze maar een paar dagen buren waren geweest. Bayoumi zei dat hij toen had besloten dat hij weinig met ze te maken wilde hebben. Philip Zelikow, die aanwezig was tijdens de ondervraging, dacht niet dat Bayoumi een Saoedische agent was geweest.

Het commissierapport meldde echter dat Bayoumi’s paspoort een merkteken bevatte dat kan worden verkregen door ‘bijzonder vrome Moslims’ of in verband gebracht kan worden met het ‘behoren tot Al-Qaeda’.  De onderzoekers vonden ook iets anders. Bayoumi’s salaris was goedgekeurd door een Saoedische functionaris wiens zoons foto later werd gevonden op een cd in Pakistan die ook foto's van drie van de kapers bevatte. De zoon, Saud al-Rashid, werd voor een gesprek in Saoedi-Arabië naar voren geschoven. Hij gaf toe in Afghanistan te zijn geweest en zijn paspoort te hebben ‘schoongewassen’ van bewijs dat hij daar naartoe was geweest. Hij zei echter dat hij niets van de 9/11 plot had afgeweten. Commissieleden die Rashid ondervroegen, meenden dat hij ‘onoprecht’ was geweest.

En ten slotte was er Basnan. Het gesprek met de commissie, zo schreef Dietrich Snell later, bevestigde alleen ‘het grote gebrek aan geloofwaardigheid van de getuige over vrijwel alle onderwerpen’. Zijn gedrag ‘was een combinatie van confrontatie, ontwijken en praatjesmakerij … zijn ontkennen van verklaringen die hij eerder had afgelegd’, en de ‘inherente ongeloofwaardigheid van veel van zijn beweringen gezien in het licht van het totaal aan beschikbaar bewijs’.

Twee mannen werden niet door de commissie ondervraagd. Een van hen, een Saoedische religieuze functionaris van de naam Saleh al-Hussayen, zou zeker moeten zijn ondervraagd, maar zijn naam komt niet in het commissierapport voor. Hussayen, die betrokken was bij het beheer van de heilige moskeeën in Mecca en Medina, was drie weken in de VS geweest vóór 9/11. Vier dagen voor de aanslagen had hij in een hotel in Virginia gelogeerd.

En op 10 september was hij onverklaarbare redenen verhuisd. Hij trok met zijn vrouw, in de Marriott Residence Inn in Herndon, Virginia—het hotel waar de 9/11 kapers Mihdhar en Hazmi de laatste nacht van hun leven doorbrachten.

Commissie-memos maken melding van F.B.I. agenten die in Hussayen’s kamer in het Marriott kwamen na middernacht op de 11e. De Saoedi functionaris begon ‘te mompelen met gebogen hoofd’ te zweten en wartaal uit te slaan. Toen viel hij van zijn stoel en leek een ogenblik bewusteloos. De EHBO’ers die werden opgeroepen, snapten er niets van. ‘Zou de patiënt simuleren?’ vroegen ze de agenten. Dokters die Hussayen in een plaatselijk ziekenhuis onderzochten, vonden ook niets. Een F.B.I. agent zei later dat het interview was afgebroken omdat, zoals de agent beweerde, Hussayen ‘een hartaanval simuleerde’.

Op een vraag van een F.B.I. agent waarom ze naar het Marriott waren verhuisd, zei Hussayen’s vrouw dat ze een kamer met een keukenhoek wilden. De keukenhoek in de kamer vertoonde echter geen sporen van gebruik. Op de vraag of ze dacht dat haar man op de een of andere manier betrokken zou kunnen zijn geweest bij de 9/11 aanslagen, antwoordde ze ‘Ik weet het niet’. Agenten hebben nooit een adequaat gesprek met Saleh al-Hussayen gehad. In plaats van zijn tocht door de Verenigde Staten voort te zetten, vloog hij terug naar Saoedi-Arabië en bleef de twee heilige moskeeën beheren. Onbekend is of hij contact had met Mihdhar en Hazmi op de avond voor 9/11, en of zijn aanwezigheid in het Marriott die nacht, zoals Bayoumi over zijn ontmoeting met de twee terroristen beweerde, een kwestie van toeval was.

Toen Hussayen Virginia verliet ondervroegen andere F.B.I. agenten in de staat de vroegere imam uit San Diego, Anwar Aulaqi. Hij ontkende niet contact te hebben gehad met Mihdhar en Hazmi in Californië en later—met Hazmi—in Virginia. Hij kon niet ontkennen dat hij van San Diego naar de oostkust was gegaan in een periode dat zij daar ook waren. Hij vond dat echter niet belangrijk en de Amerikaanse overheid ging kennelijk niet verder op de zaak in.

Aulaqi had naar verluid gepreekt binnen de muren van het Amerikaanse Capitol vlak voor 9/11. Niet lang daarna lunchte hij op het Pentagon—in een zone die onbeschadigd was door de aanslag waarin zijn kennissen Mihdhar en Hazmi zo’n belangrijke rol hadden gespeeld. De reden voor de lunch? Een uiterste poging om de spanningen tussen Amerikaanse Moslims en niet-Moslims te verminderen.

Hoewel hij in Amerika is geboren, is Aulaqi de zoon van een vroegere minister van landbouw van Jemen. Hij verbleef na 9/11 van tijd tot tijd in de Verenigde Staten, schijnbaar ongehinderd, voordat hij naar Groot-Brittannië vertrok en uiteindelijk naar Jemen. De verdenking dat hij voorkennis gehad kan hebben over 9/11 wordt gevoed door het feit dat het telefoonnummer van zijn moskee in Virginia opdook tussen de spullen in het appartement gebruikt door de aangeklaagde samenzweerder Ramzi Binalshibh, die nu in Guantánamo wegkwijnt.

Pas zeven jaar later, vanaf 2009, begon Aulaqi wereldwijd bekend te worden. Zijn naam is verbonden aan: de vele schietpartijen door een Amerikaanse legermajoor in Fort Hood, de bijna succesvolle poging om een bom tot explosie te brengen op een vliegtuig naar Detroit, de grote autobomzaak op Times Square, en de last-minute ontdekking van explosieven verborgen aan boord van vrachtvliegtuigen met de bestemming Verenigde Staten.

Toen Aulaqi’s naam in de Westerse pers verscheen, waarschuwde de minister van buitenlandse zaken van Jemen dat, in afwachting van bewijs, hij niet als terrorist beschouwd moest worden maar als predikant. President Obama zag dat anders. Begin 2010 gaf hij de C.I.A. en het Amerikaanse leger toestemming om de Jemeniet op te sporen, gevangen te nemen of te doden, en gaf Aulaqi in wezen dezelfde status als aan Osama bin Laden indertijd. Aulaqi blijft, zoals Zelikow meldde toen zijn naam uiteindelijk in de koppen verscheen, ‘een onduidelijkheid van 9/11’.

Alles bij elkaar genomen verhoogden de rollen en activiteiten van Thumairy, Bayoumi, Basnan, Hussayen en Aulaqi—en de dubieuze verhalen die sommigen van hen over zichzelf vertelden—de verdenking dat de daders van 9/11 steun en sponsoring kregen van mensen die nooit werkelijk zijn geïdentificeerd.

Problemen aan het thuisfront

Bob Graham, medevoorzitter van de Congress’s Joint Inquiry, vertelde de auteurs dat bewijs was gevonden ‘dat de Saoedi’s sommige kapers hielpen. En ik heb zo’n vermoeden dat ze aan de meeste, zo niet alle kapers enige assistentie boden. . . . Ik denk dat 9/11 alleen kon gebeuren dankzij het bestaan van een infrastructuur van steun in de Verenigde Staten. Met ‘de Saoedi’s’ bedoel ik de Saoedische overheid en individuele Saoedi's die voor bepaalde zaken afhankelijk zijn van de overheid, en dat behelst de hele elite van het land.’ 

Betrokken waren volgens Graham ‘de koninklijke familie’ en ‘een paar groepen dicht bij de koninklijke familie.’ Was het aannemelijk dat leden van de Saoedische koninklijke familie bewust de 9/11 aanslagen zouden hebben gefaciliteerd? ‘Ik denk’, zei de voormalige senator ‘dat ze inderdaad acties ondernamen in samenzwering met de kapers.’

Op pagina 396 van het Joint Inquiry rapport, in het laatste deel van het hoofdonderdeel van het rapport, is een groot gat. Alle 28 pagina's van Deel Vier, getiteld ‘Bevinding, Discussie en Commentaar inzake bepaalde Gevoelige Zaken van de Nationale Veiligheid’ zijn herschreven. De pagina's zijn er, maar—met uitzondering van een enkel overgebleven woord of fragmentaire, betekenis loze zin—ze zijn blanco. Het besluit dat volledige deel te censureren veroorzaakte woede in 2003.

Onderzoek wees uit dat, terwijl het schrappen technisch gezien de verantwoordelijkheid van de C.I.A. was, de dienst zich niet tegen publicatie van de meeste pagina’s zou hebben verzet. De opdracht dat ze geheim moesten blijven kwam van President Bush.

Bob Graham en zijn Republikeinse medevoorzitter, voormalig senator Richard Shelby, was van mening dat het meeste geschrapte materiaal gepubliceerd kon en moest worden. Evenals Nancy Pelosi, vooraanstaand Democraat in het Huis. Shelby zei: ‘Mijn oordeel is dat 95 procent van die informatie vrijgegeven zou moeten worden, ongecensureerd, zodat het Amerikaanse volk het weet.’

Wat weet? ‘Ik kan u niet vertellen wat er op die bladzijden staat,’ zei Eleanor Hill, Joint Inquiry’s staff director. ‘Ik kan u wel zeggen dat het hoofdstuk gaat over informatie dat onze commissie in F.B.I. en C.I.A. files vond en die er verontrustend was. Het ging over buitenlandse hulpbronnen voor de kapers.’  De focus van het materiaal was Saoedi-Arabië, zoals lekken naar de pers al snel vaststelden.

Volgens bronnen waren er aanvullende details over Bayoumi, die Mihdhar en Hazmi in Californië had geholpen, en over zijn medewerker Basnan. Het gecensureerde deel van het rapport meldde dat Anwar Aulaqi, de imam uit San Diego, een ‘centrale figuur’ was geweest in het hulpnetwerk voor de toekomstige kapers.

Een officiële Amerikaanse bron die het gecensureerde deel had gelezen, vertelde aan de Los Angeles Times dat het ‘zeer directe, zeer specifieke banden’ met Saoedische officials beschreef, banden ‘die niet kunnen worden bestempeld als solitair, geïsoleerd of toevallig’. Philip Shenon, journalist bij de New York Times, schreef dat Senator Graham en zijn onderzoekers ‘ervan overtuigd waren dat een aantal aardige Saoedische officials, mogelijk binnen het breed verspreide ministerie van Islamitische Zaken, geweten hadden dat Al-Qaeda terroristen de Verenigde Staten binnenkwamen begin 2000 ter voorbereiding van de een of andere aanslag. Graham geloofde dat de Saoedische officials spionnen werkzaam in de Verenigde Staten had opgedragen om ze te helpen.’

En het ernstigste van alles, Michael Isikoff van Newsweek meldde dat de informatie ontdekt in het onderzoek ‘duidelijke connecties had gevonden tussen hooggeplaatste Saoedische prinsen en handlangers van de kapers.’ Zonder de publicatie van de gecensureerde pagina’s kan men slechts gissen welke connecties dat zijn geweest.

Er is misschien echter een aanwijzing in de eerste bevestiging, afkomstig uit het interview dat de auteurs hadden met voormalig C.I.A. agent, van een bewering over de vangst in Pakistan van bin Laden’ senior aide Abu Zubaydah, terwijl de Joint Inquiry aan de gang was. Vanaf juni of juli 2002 volgden maanden van ondervragingen met niet minder dan 83 waterboardingsessies. Zubaydah was de eerste Al-Qaeda gevangene op wie de controversiële ‘verbeterde techniek’ werd toegepast.

John Kiriakou, toen C.I.A. man met standplaats Pakistan, had een leidende rol gespeeld in de operatie die leidde tot de vangst van de ernstige gewonde Zubaydah eind maart van dat jaar. Terug in Washington vroeg in het najaar, informeerde Kiriakou de auteurs dat collega’s hem hadden verteld dat telegrammen over de ondervraging meldden dat Zubaydah namen van verscheidene Saoedische prinsen had genoemd. Hij ‘noemde die namen een beetje spottend, [aangevend] dat hij de steun van de Saoedische overheid had.’ De C.I.A. checkte vervolgens die namen, zei Kiriakou.

Zubaydah had drie prinsen genoemd, maar eind juli waren ze alle drie binnen één week dood. De eerste was Prins Ahmed bin Salman, de leidende figuur in de internationale paardenrenwereld, hierboven genoemd in ons verhaal over Saoedi's die haastig de Verenigde Staten verlieten na 9/11. Ahmed, een neef van zowel Koning Fahd en Prins Sultan, overleed aan een hartaanval na buikchirurgie op 43 jarige leeftijd, volgens de Saoedi's.

Prins Sultan bin Faisal bin Turki bin Abdullah al-Saud, ook een neef van Koning Fahd en Prins Sultan, kwam naar zeggen om bij een auto-ongeluk. Een derde prins, Fahd bin Turki bin Saud al-Kabir, wiens vader een neef was van Fahd en Sultan, stierf naar verluid ´van dorst´.

Voormalig C.I.A.-er Kiriakou zei later dat zijn collega's hadden gezegd dat ze van mening waren dat wat Zubaydah ze had verteld over de prinsen waar was. ‘We wisten al jaren,’ zo vertelde hij de auteurs, ‘dat Saoedische royals – ik zou moeten zeggen, elementen van de koninklijke familie - Al-Qaeda financieel steunden.'

In 2003, tijdens het trammelant over het herschreven hoofdstuk in het Joint Inquiry rapport, maakte Adel al-Jubeir, woordvoerder van kroonprins Abdullah een cryptische opmerking die nooit verder is uitgelegd. Het eigen onderzoek van het Saoedische regime, zo zei hij, had ‘wandaden door sommigen’ aan het licht gebracht. Hij merkte echter op dat de koninklijke familie duizenden leden telde, en benadrukte dat het regime zelf geen connecties had met het complot van 9/11.

Meer dan 40 Amerikaanse senatoren eisten de vrijgifte van het gecensureerde deel van het rapport. Ondermeer John Kerry, Joe Lieberman, Charles Schumer, Sam Brownback, Olympia Snowe en Pat Roberts.
Er gebeurde niets.

Bob Graham, met zijn lange ervaring op dit gebied als lid en voorzitter niet alleen van de Joint Inquiry maar ook van de Senate Select Committee on Intelligence, bleef zijn woede uiten over de censuur, zelfs toen hij met pensioen was. President Bush, zo schreef hij in zijn boek Intelligence Matters in 2004, was ‘betrokken bij de doofpotaffaire. . . Om niet alleen de falende agentschappen te beschermen maar ook Amerika’s betrekkingen met het Koninkrijk Saoedi-Arabië. . . . Dat deed hij door informatie over nationale veiligheidsgegevens valselijk geheim te maken. Hoewel de informatie gênant kan zijn of politiek schadelijk, zou de publicatie de nationale veiligheid niet in gevaar brengen.’  Richard Shelby concludeerde onafhankelijk daarvan dat vrijwel alle gecensureerde pagina's ‘geheim werden gehouden om andere redenen dan de nationale veiligheid’.

Graham schreef dat het was alsof de loyaliteit van de president meer bij Saoedi-Arabië lag dan bij de Amerikaanse veiligheid.  In Graham’s visie zou de rol van Bush in het achterhouden van belangrijke informatie over 9/11, samen met andere overtredingen, moeten hebben geleid tot zijn impeachment en ontslag als president.

Binnen weken na zijn inauguratie in 2009 ontving Bush’s opvolger, Barack Obama, ostentatief familieleden van de slachtoffers van 9/11. De weduwe van een van de slachtoffers in het World Trade Center, Kristen Breitweiser, zei dat ze de nieuwe president had gewezen op het schandelijke gecensureerde deel van het Joint Inquiry rapport. Obama zei tegen haar, zo vertelde ze later, dat hij bereid was het achtergehouden materiaal te laten publiceren. Twee jaar later is het hoofdstuk nog steeds vertrouwelijk, en het Witte Huis wil niet zeggen waarom. ‘Als de 28 pagina’s gepubliceerd waren,’ zei een functionaris die bekend was met de pagina’s voordat President Bush ze liet schrappen, ‘weet ik zeker dat de betrekkingen met Saoedi-Arabië van de ene op de andere dag zouden veranderen’.

De schuld van Irak

Het 9/11-commissie rapport verdoezelde beslist de waarheid over de Saoedische rol. Tegen de tijd dat het gepubliceerd werd, in juli 2004, was er meer dan een jaar verstreken sinds de invasie van Irak, een land dat volgens het rapport niets met 9/11 van doen had.

In de 18 maanden voor de invasie had de Bush regering echter aanhoudend gesuggereerd dat Irak iets met 9/11 te maken had. President Bush sprak nooit over een directe rol van Irak maar bracht Saddam Hussein’s naam in verband met Osama bin Laden. Vice-President Cheney ging verder en suggereerde herhaaldelijk dat Irak betrokken was bij de aanslagen.

Peilingen wezen uit dat de publiciteit over de veronderstelde Irakese betrokkenheid van invloed was op de mate waarin het Amerikaanse publiek Irak kwam te zien als een vijand die gestraft moest worden. Voor de invasie bleek uit een Pew Research peiling dat 57 procent van de ondervraagden geloofden dat Hussein hulp had geboden aan de 9/11 terroristen. 44 procent van respondenten van een Knight-Ridder peiling hadden de indruk gekregen dat de ‘meeste’ of ‘sommige’ kapers uit Irak kwamen. In feit kwam er geen een uit Irak. Na de nasleep van de invasie bleek uit een peiling van de Washington Post dat 69 procent van de Amerikanen het waarschijnlijk achtte dat Saddam Hussein persoonlijk betrokken was geweest bij 9/11.

Geen van de speculaties dat er een Irakese link was naar de aanslagen werd bewezen.  ´We gingen 10 jaar terug,´ zei Michael Scheuer, die de zaak bestudeerde op verzoek van directeur Tenet. ´We bestudeerden ongeveer 20.000 stukken, zo´n 75.000 pagina's informatie, en er was geen verband tussen [Al-Qaeda] en Saddam.´

En Pakistan?

In de jaren waarin het conflict in Irak de aandacht van de wereld had, verdween het feitelijke bewijs van een verband tussen andere naties en Osama bin Laden en 9/11 uit het publieke bewustzijn. Dit was gedeeltelijk de fout van de 9/11 commissie die het bewijs niet benadrukten en in detail weergaven. Het was, ironisch genoeg een voormalige veiligheidsadviseur van President Bush, Richard Falkenrath, die luidkeels die onaangename waardheid uitsprak. Het rapport van de commissie, schreef Falkenrath, had slechts oppervlakkig het feit aangestipt dat Al-Qaeda ‘grotendeels werd geleid en gefinancierd door Saoedi's, met uitgebreide steun van Pakistani inlichtingendiensten’.

Pakistan heeft een sterke Moslimfundamentalistische beweging. Met Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten is het één van drie naties die de Taliban hebben erkend. Osama bin Laden opereerde er al in 1979, met de zegen van de Saoedische inlichtingendienst, in de eerste fase van de strijd om de Sovjets uit buurland Afghanistan te jagen. De contacten die hij legde waren blijvend.

Wat bin Laden zelf zei over Pakistan twee jaar vóór 9/11 leek boekdelen te spreken. ‘Het Pakistaanse volk heft een grote liefde voor de Islam,’ merkte hij in 1998 op na de aanval op zijn kampen in de nazomer door Amerikaanse raketten waarin zeven Pakistanis om het leven kwamen. ‘En ze hebben altijd offers gelaten voor de godsdienst.’ Later legde hij in een ander interview uit hoe hij zelf de aanval had weten te vermijden. ‘We troffen een vriendelijk, genereus volk aan in Pakistan … ontvingen informatie over onze geliefden en helpers van de jihad.’

Pakistan ziet Afghanistan als strategisch en van cruciaal belang, niet in het minst vanwege een punt waarvan veel mensen in het Westen weinig of geen kennis hebben. Pakistan en India hebben in de afgelopen 50 jaar drie oorlogen gevoerd over Kashmir, een groot, betwist gebied waar beide naties aanspraak op maken en gedeeltelijk beheersen, en waar ook binnenlandse opstandelingen zijn. Door de macht over Afghanistan kon, gezien de geografische ligging, Pakistan Afghaanse en Arabische vrijwilligers ronselen voor de Kashmir opstanden—en een groot deel van het Indiase leger bezighouden.

De opstandelingen die Kashmir binnengingen waren vrijwel allemaal mujahideen, die zich inzetten voor een zaak die zij als heilig beschouwen. Luitenant Generaal Hamid Gul, die in 1989 aan het hoofd stond van de ISI—het Pakistaanse equivalent van de C.I.A.—zelf zag het conflict als jihad. Bin Laden van zijn kant steunde Gul en in het jaar erna, ook gelijkdenkende figuren in de ISI. Veel ISI rekruten voor de strijd in Kashmir werden in Bin Laden kampen getraind. Zelfs in 2000 zei hij nog: ‘Wat Pakistan ook doet inzake Kashmir, wij steunen dat’.

Zoals voormalig Amerikaanse gezant Peter Tomsen aan de 9/11 commissie vertelde was de ISI in Afghanistan zo machtig dat de Taliban ‘feitelijk junior partner was in een onheilige alliantie’ van ISI, Al-Qaeda en de Taliban. Naarmate de ISI meer invloed kreeg, had het nauwe contacten met de Saudi inlichtingendienst, en de Saoedi’s vulden naar zeggen de zakken van Pakistaanse senior officieren met cash. Door de jaren heen werd de ISI niet alleen militair sterk maar kreeg grote politieke invloed in Pakistan, zoveel dat sommigen de ISI omschreven als ‘de meest invloedrijke instantie in Pakistan’, een ‘schaduwregering’.

Hoewel er geen harde bewijzen waren dat Pakistan voorkennis had gehad van de 9/11 aanslagen, bracht Washington twee dagen een botte waarschuwing en bereidde represailles voor tegen de bin Laden organisatie en de gastheren in Afghanistan. Op dat moment zei—volgens ISI Directeur Mahmoud Ahmed, die Washington in die dagen bezocht—de Amerikaanse viceminister van Binnenlandse Zaken Richard Armitage dat de VS Pakistan ‘terug naar het Stenen Tijdperk’ zou bombarderen als het niet op de Amerikaanse verzoeken om hulp inging. (Armitage ontkende dergelijk extreem taalgebruik te hebben gebezigd)

De voormalige C.I.A. chef in Islamabad, Robert Grenier, heeft onlangs bevestigd dat de samenwerking met Pakistan tegen Al-Qaeda enorm is verbeterd sinds 9/11. De arrestaties van drie van de bekendste Al-Qaeda topmensen—Abu Zubaydah, Ramzi Binalshibh en Khalid Sheikh Mohammed—werden door de Pakistaanse inlichtingendienst en politie gedaan, schijnt het, in sommige zo niet alle gevallen in samenwerking met de C.I.A.

Sinds Amerika jaagt op Al-Qaeda jaagt, bleef de ISI volgens bronnen echter in contact met bin Laden of was bekend met zijn verblijfplaats. ISI officials, zei Peter Tomsen tegen de 9/11 commissie, ‘bezochten [bin Laden] nog in december 2001’—en bleven op de hoogte van zijn verblijfplaats. In 2007 sprak Kathleen McFarland, voormalig senior ambtenaar van het ministerie van Defensie, over bin Laden’s aanwezigheid in Pakistan als een feit. ‘Ik ben ervan overtuigd,’ zei militair historicus Stephen Tanner tegen CNN in 2010, ‘dat hij beschermd wordt door de ISI. Ik denk gewoon dat het onmogelijk is na al deze tijd niet te weten waar hij is.’ 

Obama had tijdens zijn verkiezingscampagne beloofd, ‘We zullen bin Laden doden. . . . Dat moet onze grootste prioriteit voor de binnenlandse veiligheid zijn.’  Eenmaal aan het bewind deed hij niet een dergelijke openbare uitspraak. De jacht op bin Laden levert ondertussen weinig op—en heeft geen grote prioriteit. Als we terugkijken was er enige nieuwe informatie die wat anders aantoonde.

Generaal David Petraeus, commander van Amerikaanse en NATO troepen in Afghanistan, werd in Meet the Press in 2010 gevraagd of het nu minder noodzakelijk was om bin Laden te vangen. ‘Ik denk,’ zo zei hij, ‘dat Osama bin Laden vangen of doden nog steeds een heel erg belangrijke taak is voor iedereen die zich bezighoudt met contraterrorisme over de hele wereld’.

Voor ieder die twijfelde of hij nog in leven was, zond bin Laden in het najaar van 2010 twee nieuwe audioboodschappen uit. Er werden communicaties van Al-Qaeda onderschept, volgens Amerikaanse functionarissen tegen de The New York Times, waaruit bleek dat hij nog steeds strategieën uitdacht. Toen, een paar weken later, citeerde CNN een ‘senior NATO functionaris' dat bin Laden en zijn plaatsvervanger Ayman al-Zawahiri zich waarschijnlijk vlak bij elkaar in noordwest Pakistan verborgen hielden, en niet ‘in een grot’. Dezelfde, citeerde de New Yorkse Daily News een bron met ‘toegang tot alle rapporten over bin Laden’ die gesproken zou hebben over twee ‘waarschijnlijk geachte waarnemingen’ in de afgelopen jaren, zelfs een ‘onduidelijk foto van bin Laden in een vrachtauto’.

Het einde van bin Laden

Toen om 23.35 uur op zondag 1 mei verscheen President Obama op de televisie wereldwijd en zei: ‘Vannacht kan ik het Amerikaanse volk en de wereld meedelen dat de Verenigde Staten in een operatie Osama bin Laden hebben gedood, de leider van Al-Qaeda en terrorist die verantwoordelijk is voor de moord op duizenden onschuldige mannen, vrouwen en kinderen.

Hij werd in Pakistan gedood. Voor velen was het of Pakistan hem bewust onderdak had verleend. Want ‘s werelds meest gezochte terrorist woonde jarenlang comfortabel en goed beschermd niet in zomaar een Pakistaanse stad, maar in het aangename Abbottabad, waar veel dienende en gepensioneerde legerofficieren wonen en vlakbij de meest prestigieuze militaire academie van het land, het equivalent van het Amerikaanse West Point. De ISI is daar ook aanwezig.

De kritiek uit Washington was vernietigend toen deze feiten openbaar werden. De Pakistanis, zei C.I.A. Directeur Leon Panetta naar zeggen tegen de wetgevers, waren of ‘betrokken of incompetent’.  De contraterrorisme adviseur van de president, John Brennan, achtte het ‘ondenkbaar’ dat bin Laden geen ‘ondersteuningssysteem’ in Abbottabad had gehad. In 60 Minutes speculeerde Obama zelf ‘of er misschien mensen binnen de regering, of mensen buiten de regering waren [die bin Laden steunden], en dat is iets dat we moeten onderzoeken, en nog belangrijker, dat de Pakistaanse regering moet onderzoeken.’

Bin Laden was tot in Abbottabad opgespoord, maakten Amerikaanse bronnen later bekend, dankzij informatie over zijn gebruik van koeriers om boodschappen ter hand te stellen van zijn medeterroristen. Ongenoemd bleven feiten over het verband tussen Abbottabad en Al-Qaeda dat voormalig president Pervez Musharraf bekend had gemaakt in zijn memorandum van 2006. Pakistan’s 2005 vangst en overdracht aan de Amerikanen van een andere zeer senior bin Laden hulp, Khalid Sheikh Mohammed’s opvolger Abu Faraj al-Libbi, schreef Musharraf, vond plaats na een lange achtervolging door Pakistaanse onderzoekers. In de loop van de jacht ontdekten de onderzoekers volgens Musharraf dat Libbi minstens drie veilige huizen gebruikte, allemaal in Abbottabad. Abbottabad is geen plek waar je geen verborgen topterroristen zou verwachten, maar heeft nou juist wel die reputatie.

Een week na de slag tegen bin Laden meldde de correspondent van The Guardian in Islamabad dat tien jaar geleden, na 9/11, President Bush een deal met Musharraf sloot: zou bin Laden binnen de Pakistaanse grenzen worden opgespoord, dan zou Amerika een unilaterale inval mogen doen. ‘Er was een afspraak,’ volgens een citaat van een voormalige Amerikaanse senior functionaris, ‘dat als we wisten waar Osama was, we hem zouden komen halen. De Pakistanis zouden misbaar maken maar ons niet stoppen.’  Musharraf ontkende dat er sprake was van een dergelijke deal. Volgens The Guardian bevestigde een ongenoemde Pakistaanse functionaris het verhaal echter. ‘Onze Amerikaanse vrienden,’ zei hij, ‘hebben de afspraak gewoon geïmplementeerd.’

We kennen nog niet de volledige achtergrond van hoe de V.S. bin Laden heeft opgespoord. We hebben nu, tien jaar later, wel een beter beeld van hoe machtige spelers in het buitenland de hand hebben gehad in 9/11.



 

Door Anthony Summers en Robbyn Swan

Bron: Vanity Fair  http://www.vanityfair.com/politics/features/2011/08/9-11-2011-201108?printable=true#ixzz1SdXdqVxA