Terug naar de postduif

Deel 1 en 2

Deel 1
Voor een columnist is een aantal elektronische apparaten vrijwel onmisbaar. Uiteraard de telefoon, direct gevolgd door de computer met de e-mail, de printer en de fax. Jarenlang ging alles goed. Kopieën van alle gewenste krantenartikelen uit het Telegraaf-archief kwamen feilloos op mijn bureau terecht, en alles wat ik wilde versturen was binnen luttele ogenblikken op de plaats van bestemming.

Tot ruim een maand geleden plotseling de fax en een van mijn twee telefoons in staking gingen, gevolgd door de e-mail op de computer. Mijn secretaresse Nicolette, die voor alles een oplossing heeft, riep: „Nu gaan we de provider bellen.” Dat is de hogere instantie die over mijn elektronica gaat. Een soort superieure macht die alle elektronica onder zijn beheer schijnt te hebben.

Hij vroeg of de stekker B5 wel in de X6B-poort was gestoken. Daar had zelfs de secretaresse niet van terug. De provider zei dat hij geen zaken kon doen met iemand die niet wist wat stekker B5 was en gaf de raad om de KPN te bellen. Die ging immers over verbindingen. In onze onschuld dachten wij nog dat de KPN eigenlijk een afstammeling was van onze oude vertrouwde en superdegelijke PTT. Maar dat bleek een vergissing te zijn. Wij belden de KPN en vermeldden tevens dat er in de loop der jaren onder en achter mijn bureau een onontwarbaar kluwen van kabels en draden was ontstaan waar niemand meer aan dorst te komen uit angst voor storingen, kortsluiting en explosies. De KPN zou iemand sturen.

Er verscheen een heel aardige jongeman die duidelijk niet in het Koninkrijk der Nederlanden was geboren. Hij koos een gemakkelijke stoel uit en haalde een laptop uit zijn tas. Nadat hij enige tijd de toetsen had beroerd, zei hij: „Zit niet hier, zit buiten, moet gemaakt worden.” Op mijn uitnodiging dat dan maar te doen, antwoordde hij: „Ik niet doen, ben voor binnen. Voor buitenwerk andere monteur komen.” Hij groette beleefd en verdween.

Wij belden opnieuw de KPN, die enkele dagen later twee nóg jongere monteurs stuurde. Een kwam uit ZuidAmerika, de ander uit Noord-Afrika. Ze waren erg vriendelijk. Alleen keken ze niet naar de verwarde draden en kabels, maar hoofdzakelijk op hun beeldschermpjes. Ook zij kwamen tot de conclusie dat het probleem ergens buiten het huis te vinden was, maar dat het buitenwerk niet tot hun taak behoorde. Mijn secretaresse belde getergd de KPN op. Dat kan Nicolette zeer goed. Haar woordkeus en de gedecideerdheid, de toon en de intensiteit zijn dan van dien aard, dat zij in haar eentje in staat zou zijn volksopstanden in luttele momenten te beteugelen.

Buurman

De KPN had daarvan ook niet terug en binnen twee uur kwam er een oudere technicus die nog bij de PTT had gewerkt, dus die er nog verstand van had en goed Nederlands sprak: „Ik zie het al”, zei hij, „het is alweer hetzelfde gelazer. Een kilometer verderop zijn ze huizen aan het bouwen en daar moeten ook telefoonaansluitingen in. Dan rotzooien ze in zo’n schakelkast en trekken ze hier en daar een kabeltje los. En zo zit u nu in de problemen.” Een uurtje later deed de telefoon het weer, maar voor de fax en de e-mail was nog geen therapie gevonden.

Intussen werd ik uit de nesten geholpen door mijn buurman Arle, die al mijn faxen, e-mails en andere gegevens op zijn apparatuur opnam en de uitgeprinte gegevens kwam brengen. Wekenlang draaide mijn aandeel in De Telegraaf op de hulp van de buurman.

Toen bleek dat niet alleen mijn fax en de computer, maar ook de tv het niet meer goed deed. Er kwamen de zgn. ’mannetjes’ die weliswaar geen officiële functie als monteur hadden, maar er wel veel van schenen te weten. Er moest een nieuwe modem komen. Een van de computersleutelaars had er nog wel enkele op zolder liggen. Er zaten lampjes op die alle moesten blijven branden. Als er eentje doofde, dan was het mis. Dat gebeurde al een uur later.

Er kwamen nieuwe technici, en die zeiden dat veel van mijn apparatuur nog analoog was en dat ging niet goed samen met andere apparaten die al digitaal waren. Ik kreeg enige colleges hogere elektronica, die ik niet goed kon volgen. Maar uiteindelijk keerde ik ten einde raad maar weer terug naar de mensen van de KPN. Die verrichtten een aantal onnavolgbare handelingen en de conclusie was dat mijn tv-toestel de storende factor was.

Nieuwe televisie

Omdat de tijd drong, bestelde ik in arren moede een nieuwe digitale televisie. Het nieuwe ding gaf een beroerd beeld en produceerde het geluid van een blikken emmer. Na een kwartier kijken en luisteren zag ik epileptische lichtflitsen en knetterden mijn trommelvliezen. Een technicus zei dat ik vele jaren analoog had gekeken en daarom nog moest wennen aan digitaal beeld en geluid. Toen kwam buurman Arle weer langs met uitgeprinte teksten uit het archief van De Telegraaf. De buurman heeft van alles gedaan in zijn leven en is technisch onderlegd. Na enig gerommel in het oerwoud van draden en snoeren zei hij: „Er ligt een stekker uit. Ik zal hem er maar eens insteken.” Op dat moment werd het beeld normaal. Ook kreeg het geluid een heel ander timbre. Het piepen van mijn trommelvliezen hield acuut op. Maar vanaf dat moment werd het erg moeilijk om mijn e-mail te bekijken. Alleen mijn secretaresse heeft de truc door hoe dat dan verder moet.

Thans heb ik sterk het vermoeden dat het nu al zes weken durende probleem is bedacht door de elektronische industrie die graag zou zien dat ik alles de deur uit doe en allemaal nieuwe apparaten ga kopen. Uiteindelijk kan je in de huidige crisistijd geen enkele commerciële organisatie meer blindelings vertrouwen. Ook niet allerlei providers die monteurs sturen die onze taal nog niet goed beheersen en met wie het moeilijk is te discussiëren over technische problemen.

Toen de laatste beleefd groetend vertrok met de woorden: „Alles goed, werkt weer. Ik zien op computer”, belde de redactie van De Telegraaf op over de enige nog goed werkende, loodzware maar onverwoestbare bakelieten telefoon uit 1970 dat ik nog steeds niet per e-mail en fax bereikbaar was.

Zodoende overweeg ik om maar enige postduiven aan te schaffen. U weet wel, met een kokertje aan hun pootjes. Die vliegen dan heen en weer tussen de redactie in Amsterdam en mijn woonhuis in de gemeente Zeist. Uiteindelijk hebben die duiven het in de Eerste Wereldoorlog ook zo goed gedaan toen alle telefoonlijnen in de frontlinie waren uitgevallen door granaatvuur. En als er dan toch een storing optreedt, bel ik niet de KPN maar mijn eigen vertrouwde dierenarts die geen verschil maakt tussen analoge en digitale duiven.

Terug naar de postduif (2)

In de column van zaterdag 28 september jl., getiteld ’Terug naar de postduif’, beschreef ik de bizarre contacten met de KPN, die mijn defecte elektronische communicatieapparatuur zou repareren. De KPN, waarvan ik abusievelijk meende dat die nog iets te maken had met de oerdegelijke betrouwbare en mensvriendelijke PTT van vóór de privatisering en liberalisatie.

Dat bleek een ernstige vergissing te zijn, geheel berustend op weemoedige herinneringen aan betere tijden. Toen er nog echte postbodes waren, gestoken in een perfect uniform met cape. Toen de officiële postkantoren nog niet allemaal vervangen waren door armzalige hoekjes bij sigarenwinkels en supermarkten. Toen ervaren vakmensen nog niet massaal waren ontslagen en vervangen door ingehuurde knutselaars uit verre landen.

Na ongeveer dertien bezoeken in negentien weken tijds van steeds wisselende monteurs, van wie sommigen de Nederlandse taal slechts matig beheersten, kreeg ik eindelijk telefonisch contact met iemand van de hogere leiding. Er was een nieuwe kabel ergens doorgetrokken, dus alles moest het nu weer feilloos doen. Maar van mijn zes vaste telefoons deden er vijf helemaal niets. De fax deed het al een paar maanden niet, en de televisie gaf alleen geluid, maar geen beeld. De e-mail had perioden dat hij het deed, maar het bleef altijd een verrassing wanneer dat was.

Buurman
Zodoende was ik na vier maanden ellende tot de conclusie gekomen dat het misschien zinvol was om terug te keren naar het aloude systeem van de postduif met een kokertje aan zijn poot. Mijn goede buurman Arle ving al die tijd via zijn eigen apparatuur mijn elektronische post op. Die kwam hij tot ’s avonds laat, door weer en wind, bij me thuisbrengen. Hij is, zoals eerder vermeld, een technisch begaafd man. Maar toen ten slotte ook mijn laatste telefoonverbinding de geest gaf en hij op zijn eigen telefoon de KPN belde, kreeg hij de boodschap dat ik maar het noodnummer moest bellen. Hoe dat dan moest met stilgevallen telefoons zal altijd wel een raadsel blijven.

Toen bleek dat ik niet de enige Nederlander was met communicatieproblemen. Buurman Arle kreeg diverse verzoeken om, als hij toch voor mij aan het werk was, hij misschien zo welwillend zou kunnen wezen ook voor anderen een duivenhok te timmeren. Het idee van de postduif sprak kennelijk velen aan. Maar opeens werd ik gebeld door een manager van de KPN. Zoals gezegd was er een nieuwe kabel aangelegd en nu moesten alle apparaten het weer feilloos doen. Of ik dat maar even wilde controleren. Er bleek echter niets veranderd te zijn. „Kijkt u dan even naar de modem” , zei de manager. Daar ik in de voorbije maanden door een reeks monteurs redelijk was bijgeschoold, wist ik gelukkig precies wat een modem was.

Maar dat apparaat met een zestal uiterst nerveus knipperende lichtjes, stond ver onder mijn bureau geschoven tussen een kluwen draden, kabels en snoeren. Er was bijna niet bij te komen. „U moet gewoon even onder uw bureau kruipen” , zei de manager. „En dan moet u de twee kabels lostrekken en omwisselen.” Het was zeer duister onder het bureau. In buikligging schoof ik er behoedzaam onder. In één hand had ik een zaklantaarn en in de andere de telefoon.

Tijgersluipgang
Langzaam kroop ik naar die zenuwenlichtjes toe. Er bleken zeven kabels uit de modem te komen. „Welke moet ik hebben?” riep ik vertwijfeld door de telefoon.

„Trekt u maar wat los, wij zien het hier wel op ons scherm” , zei de manager. „Als alles uitvalt, heeft u de goede kabel te pakken gehad.” „Maar dat is juist het probleem”, sputterde ik, hijgend in tijgersluipgang. „Alles ís al uitgevallen. Daar zit ik al wekenlang mee. Daarom wacht ik op een KPN-monteur, ziet u.”

Toen zag ik twee kabels met groene stekkertjes. „Ja, dat zijn ze” , zei de KPN-stem. Maar die kabels zaten zo vast als een huis. Als ik hard zou trekken vernielde ik misschien de hele kabel. „Ja, die stekkertjes hebben een speciaal lipje, dat u moet optillen. Dan kunt u ze losmaken” , luidde de instructie. „Dat gaat niet”, antwoordde ik moeizaam. „Want ik heb geen hand meer over.” „Misschien kunt u de lantaarn tussen uw tanden houden, dan krijgt u een hand vrij” , luidde de KPN-raadgeving. Bij die manoeuvre stootte ik mijn hoofd heftig tegen de onderzijde van het bureau.

De zaklantaarn viel tussen mijn tanden uit en rolde naar een onbereikbare plaats. Terwijl een razende woede als een tsunami mij overspoelde, gilde ik: „Ik ben een dokter en geen monteur. Ik heb schoon genoeg van heel jullie waardeloze KPN-rotzooi. Als u iets medisch mankeert dan zeg ik toch ook niet: ’Kijk, daar is de operatiekamer, en hier liggen de messen en de scharen. Dus help uzelf maar.’” Dat alles lardeerde ik met de meest vreselijke vloeken die ik lang geleden nog in de militaire dienst zo voortreffelijk had geleerd.

Kleinigheid
De manager was er niet van onder de indruk en verklaarde op koele toon dat de KPN niet voor iedere kleinigheid kon langskomen. Daar waren ze niet voor. Dát deed de deur dicht. En in het duister drukte ik woedend op de uit-knop. Toen ik met een torenhoge bloeddruk, een hartslag als een tweetaktmotor en een pijnlijke buil op mijn hoofd als een kreeft achterwaarts mijn terugtocht begon, besefte ik in het lelijke gelaat van de door de politieke dames Neelie Kroes, Tineke Netelenbos en Annemarie Jorritsma zo hevig bejubelde privatisering te hebben gekeken. Privatisering is er niet voor de klanten. Privatisering of marktconforme concurrentie is er alleen voor de managers en de aandeelhouders, die er geld aan willen verdienen.

De volgende dag kwamen er twee monteurs langs om de doorgetrokken kabel persoonlijk te komen controleren. Ze vonden tevens mijn zaklantaarn terug. Al spoedig lag mijn werkkamer vol met stukken van overbodig geworden kabels en snoeren die alle door gloednieuw materiaal werden vervangen. De buurman kwam binnenlopen en hij informeerde of het door hem ontworpen postduivenhok nog gebouwd moest worden. De enige in Nederland geboren monteur die gehoord had van het postduivenplan zei geruststellend dat werkelijk alles het weer deed. Dus Arle hoefde niet aan het werk. Ik wuifde de vertrekkende technici hartelijk na. Toen ze het tuinhek uitreden belde de redactie van De Telegraaf met de mededeling dat ik per fax absoluut niet bereikbaar was.

De buurman die ik vertelde van deze zegen van de privatisering trok moedeloos zijn schouders op en mompelde: „Dan ga ik maar aan de slag met dat hok. Vanavond kom ik je de columnteksten wel weer brengen. Overigens, weet je dat je een buil op je hoofd hebt?”

 

 

Met dank aan Prof. Smalhout