Matthieu Ricard: De monnik die terugkeerde naar de moderne wereld


Hij ontvluchtte de Parijse elite, schreef een mondiale bestseller met zijn vader en werd Frankrijks beroemdste boeddhist. Ode bezocht Matthieu Ricard en luisterde naar zijn visie op ‘de wetenschap van de geest’.

Twee telefoons aan het oor en een laptop op schoot. Ziedaar de boeddhistische monnik die een stil en meditatief leven wilde leiden, maar tegen wil en dank een mediaster werd. Het boek De monnik en de filosoof, dat hij met zijn vader schreef, maakten van Matthieu Ricard een beroemdheid, zeker in zijn geboorteland Frankrijk. En nu zit hij – net aangekomen uit Nepal, waar hij woont – in een luxueus Parijs appartement tegenover een journalist uit Nederland. Opgewekt, ontspannen en de rust zelve, maar wel met twee telefoons aan zijn oor.

Het leven kan raar lopen, zeker als je Matthieu Ricard heet en als jongeman in de Parijse jetset terechtkomt om er na een bliksemcarrière weer net zo hard uit te stappen. Zijn vader, de vorig jaar overleden filosoof Jean-François Ricard die onder de naam Jean-François Revel publiceerde, is niet bepaald blij als Matthieu op zijn vijfentwintigste aankondigt boeddhist te willen worden. Want, net als zijn vader, houdt ook zoonlief niet van halve maatregelen. Hij reist naar Nepal, trekt een rode pij aan en vestigt zich in kloosters om onder leiding van verschillende meesters hét centrale thema van de Boeddha onder de knie te krijgen: een einde maken aan al het lijden – te beginnen met het eigen lijden.

Is de jonge Ricard dan zo ongelukkig? Ricard: ‘Nee, bepaald niet zelfs. Eigenlijk had ik alles wat je je als jongeman kan wensen.’ Zijn ouders vormden een prachtig stel, dat in het naoorlogse Parijs een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefende op alle mogelijke interessante mensen. Dichter André Breton, danser Maurice Béjart en schilderes Leonora Carrington waren intieme vrienden van zijn moeder Yahne Le Toumelin, die zelf ook kunstenares is. Als zijn vader diners hield, dan schoven gasten als filmmaker Luis Buñuel, politicus Mario Soares en fotograaf Henri Cartier-Bresson aan. Bepaald geen saai milieu dus om in op te groeien.

‘En toch’, mijmert Matthieu vanaf de grote divan in het appartement van zijn moeder, ‘bleef er iets knagen. Ik had vaak het ongemakkelijke gevoel dat het leven mij door de vingers glipte – alsof ik maar een fractie van mijn potentie benutte. Ik had alleen geen idee hoe ik dat verborgen potentieel kon aanspreken.’ Ricard ziet bovendien dat de genialiteit die veel van de vrienden van zijn ouders bezitten hen nog niet per se tot betere mensen maakt: ‘Ondanks hun artistieke, wetenschappelijke of intellectuele kwaliteiten, waren zij niet aardiger of meer altruïstisch dan anderen.’

 Waar, zo vraagt Ricard zich in zijn jonge jaren af, vind ik
 echt wijze mannen, zoals Plato of Socrates, die mij
 praktische levenswijsheid kunnen bijbrengen? Wie leert
 mij de diepere betekenis van het leven en wie geeft mij
 een nobel doel om voor te leven? Het antwoord komt uit
 onverwachte hoek. Bij een goede vriend ziet hij op een 
 dag filmbeelden van Tibetaanse lama’s. Het maakt diepe
 indruk. Ricard: ‘Ik weet nog dat ik dacht: “Als het voor
 een mens mogelijk is om volmaaktheid te bereiken, dan
 moet dit het zijn.” Ik realiseerde me op dat moment ook,
 dat ik Plato of Socrates nooit zou kunnen ontmoeten.
 Deze mannen echter, waren direct aanspreekbaar.’
 Niet lang daarna reist hij naar noord India. Daar, aan de
 voet van de imposante Himalayas, ontmoet hij in de
 zomer van 1967 zijn eerste meester, Kangyour
 Rinpochee. Ricard: ‘Drie weken bleef ik bij hem, terwijl we
 geen woord konden wisselen. Ik zat alleen maar
 tegenover hem en genoot intens van de vriendelijke
 sereniteit die hij uitstraalde.’

Terug in Parijs dringt het pas goed tot hem door hoe belangrijk die ontmoeting is geweest. Ricard werkt op dat moment als moleculair bioloog bij het prestigieuze Pasteur Instituut, waar hij onderzoek doet onder leiding van professor François Jacob, die twee jaar eerder de Nobelprijs voor de Geneeskunde ontving. Jacob brengt Ricard in contact met wetenschappelijke grootheden als Jacques Monod en André Lwoff, maar de gedachten van de jonge onderzoeker dwalen almaar af. Ricard: ‘Ik bleef maar aan de lama denken en vooral aan zijn manier van zíjn. Eindelijk had ik iemand gevonden die mij werkelijk inspireerde, die mijn leven richting en zin kon geven.’

In 1972 neemt Ricard de beslissing om bij zijn meester te gaan wonen, zodat hij zich geheel kan wijden aan het bestuderen van wat hem het meest essentieel toeschijnt: de wetenschap van de geest. Vandaag zegt hij met een grote grijns: ‘Ik heb er geen dag spijt van gehad.’

In India en Nepal komt hij in aanraking met een heel ander soort mensen dan de Parijse elite waarmee hij opgroeide. Ricard: ‘Deze mensen zijn veel minder met zichzelf bezig. In het Westen ligt de nadruk sterk op de persoonlijkheid – op het individu – die zich ten koste van alles op een originele manier moet kunnen uitdrukken. Westerse kunstenaars bijvoorbeeld, moeten zichzelf steeds weer vernieuwen en hun fantasie de vrije loop kunnen laten. Zij proberen imaginaire werelden te scheppen en heftige gevoelens op te roepen. Tibetaanse kunstenaars daarentegen, proberen met hun kunst slechts de aard van de werkelijkheid te doorgronden. Er zijn daar geweldige kunstenaars, maar hun persoonlijkheid blijft volledig op de achtergrond. Ze zijn vrijwel anoniem.’

Nadat zijn eerste meester Kangyour Rinpochee in 1975 sterft, ontmoet Ricard zijn tweede meester, Khyentse Rinpoche, bij wie hij twaalf jaar zal verblijven. ‘Rinpoche’ is een eretitel die aan bijzondere lama’s wordt gegeven. Letterlijk betekent het ‘de kostbare ene in de menselijke soort.’ In 1979 wordt Ricard officieel ingewijd. Een gedenkwaardige dag: ‘Het gaf me een overweldigend gevoel van vrijheid. Ik had de drukke, naar buiten gerichte Westerse wereld definitief achter mij gelaten en kon eindelijk al mijn tijd gebruiken om in anonimiteit wakker te worden.’

De gaat jarenlang volgens plan. Ricard krijgt alle gelegenheid om te mediteren en te studeren. Hij leert Tibetaans spreken, vertaalt oeroude teksten, ontmoet inspirerende geestelijken, onder wie de Dalai Lama, en heeft ook nog tijd over voor humanitaire projecten.

Maar dan klopt de wereld aan zijn deur. Het begint met een telefoontje van de uitgever van zijn vader. Deze heeft namelijk het lumineuze idee opgevat om vader en zoon samen te brengen voor een dialoog over alle mogelijke geestelijke en maatschappelijke onderwerpen – een gesprek dat uiteindelijk tot een boek moet leiden. Ondanks het feit dat de relatie tussen vader en zoon prima is, is Ricard in eerste instantie bang ‘verscheurd te worden’ door het heldere intellect van de scherpzinnige filosoof. Ricard: ‘Aan de andere kant zag ik het ook als een enorme uitdaging om te zien in hoeverre ik in staat was de boeddhistische concepten voor het voetlicht te krijgen en of ze overeind zouden blijven.’

En dus vliegt Jean-François Revel in de zomer van 1996 naar Nepal om enkele weken met zijn zoon door de bergen te wandelen en lange gesprekken te voeren over zo ongeveer alles wat relevant is: God, religie, politiek, ethiek, psychologie, liefde, dood en geluk. Vader en zoon kunnen op dat moment niet weten dat de uitwerking van hun gesprekken enkele maanden later als warme broodjes over de toonbank zullen gaan. De monnik en de filosoof wordt in Frankrijk onmiddellijk een bestseller. Revel – die al sinds de jaren vijftig publiceert – heeft nog nooit zoveel boeken verkocht en Ricard schuift bij zo ongeveer alle televisieshows en radioprogramma’s aan. Uiteindelijk wordt het boek in 23 talen vertaald en zal het in Frankrijk negen maanden op de bestsellerlijst staan.

De kracht van het boek is niet alleen gelegen in de scherpe en liefdevolle vraagstelling van Revel, maar ook in Ricards heldere uitleg van moeilijke concepten. Zijn Westerse, wetenschappelijke achtergrond stelt hem in staat om oeroude boeddhistische principes in begrijpelijke taal uit te leggen. Het boek heeft er mede toe bijgedragen dat het boeddhisme in het Westen, en met name in Frankrijk, een vlucht heeft genomen. Volgens Ricard is dat meer dan een modegril: ‘Het heeft ermee te maken, dat de essentie van het boeddhisme niet zozeer “boeddhistisch” is, maar universeel. In die zin is het boeddhisme meer een geesteswetenschap dan een religie.’

Voor Ricard is het boeddhisme bovendien tijdloos. Zo vindt hij bijvoorbeeld dat de hedendaagse psychologie nog heel wat kan leren van Boeddha’s inzichten over het vrij worden van lijden: ‘Psychologie onderkent de fundamentele oorzaken van lijden niet, maar richt zich slechts op de omstandigheden of op de negatieve emoties die door de omstandigheden worden veroorzaakt. Maar in feite zijn die niet interessant, want er is altijd wel een omstandigheid of een emotie die zich aandient. Wat veel interessanter is, is je af te vragen wat er achter die negatieve emotie zit en wat een emotie eigenlijk is.’

Volgens de Boeddha is iedere negatieve emotie het gevolg van een verkeerd idee over de werkelijkheid. Omdat de meeste mensen niet in staat zijn de werkelijkheid achter de verschijnselen te doorgronden – die Boeddha ‘leegte’ noemt – klampen zij zich vast aan verschijningsvormen: gedachten, emoties, concepten, spullen, et cetera. Ricard: ‘Doordat veel mensen de realiteit niet zien voor wat ze is – namelijk een illusie die voortkomt uit de leegte – ontstaat ook een verstoord zelfbeeld. Mensen identificeren zich met de tastbare verschijnselen en denken in feite dat ze hun baan, lichaam, religie of geest zíjn. Ze identificeren zich er volledig mee en klampen zich zodoende vast aan een fata morgana, die ook wel “ego” wordt genoemd. Omdat je je baan, lichaam, religie of ideeën allemaal kunt kwijtraken, leven de meeste mensen in een voortdurende angst. Deze angst roept vervolgens weer allerlei lelijke eigenschappen op, zoals haat, begeerte, afgunst, onvrede en trots.’

Paradoxaal genoeg moet je eerst een ego hebben om tot het besef te komen dat het eigenlijk niet bestaat. Volgens Ricard is dat besef de eerste stap op weg naar het volledig afbreken van de oneigenlijke identiteit. Ondanks 35 jaar sloopwerk zegt hij nog niet geheel vrij te zijn van zijn opgebouwde ego. Is dat bescheidenheid? Misschien, want ook de Dalai Lama zegt van zichzelf dat hij nog een lange weg heeft te gaan, terwijl Ricard zeker weet dat deze toch écht ontwaakt is.

Hoe heeft de Dalai Lama dat klaargespeeld? Hoe wordt een mens wakker of verlicht? Ricard: ‘Het mechanisme waarmee je jezelf vrijmaakt van de illusie van de verschijningsvorm der dingen – inclusief je eigen gedachten en emoties – heet “gedachten bevrijden.” Om werkelijk vrij te worden van de tirannie van de geest, is het niet voldoende om je emoties te identificeren of te erkennen. Je moet leren de stroom van je gedachten even te onderbreken, zodat je er van een afstand naar kunt kijken. Dan kom je erachter dat gedachten geen bestendig of onafhankelijk bestaan hebben. Het zijn geen wezens van vlees en bloed die je kunnen beschadigen. Ze hebben slechts zoveel kracht als dat jij eraan toedicht.’

Wanneer je dit vaak doet, wordt het proces van ‘gedachten bevrijden’ een tweede natuur en lossen gedachten en emoties net zo snel op als dat ze ontstaan. Ricard: ‘Je komt dan volledig in het heden, volledig in het nu. Er is geen lineair denken meer – van a naar b naar c – maar een direct, intuïtief weten. Het effect is dat je in een heldere, non-dualistische aanwezigheid terecht komt, die je kunt omschrijven als wakker zijn of bevrijd van lijden.’

De inzichten van de Boeddha over de aard van gedachten en de leegte waaruit zij voortkomen, lijken sterk op die van kwantumwetenschappers. Ook in de kwantummechanica wordt er vanuit gegaan, dat alle verschijnselen afkomstig zijn uit een vacuüm – het kwantumveld of Zero Point Field – dat in potentie alles in zich draagt. Wanneer je oog krijgt voor dit achterliggende veld ‘doorzie’ je de ogenschijnlijke werkelijkheid. Je ziet dat alles in feite voortkomt uit dezelfde oersubstantie en daar uiteindelijk ook weer in terugkeert. Ricard: ‘Wanneer de Boeddha zegt “Leegte is vorm en vorm is leegte,” dan is dat theoretisch gezien niet anders dan de formulering “materie is energie en energie is materie.”’

Zijn moeder, van wie de prachtigste schilderijen aan alle muren van het Parijse appartement hangen, schenkt thee in. Net als haar zoon heeft ook zij de haute couture verwisseld voor eenvoudige kloosterkleding. Haar haren zijn net iets langer dan die van Ricard, maar ze straalt wel dezelfde serene intensiteit uit. Beiden hebben gekozen voor een gedisciplineerd leven, waarin het ontwaken uit de illusie voorop staat. Is het echt nodig om zo radicaal afstand te nemen van aardse geneugten om wakker te worden?

Ricard denkt van wel, al betekent dat nog niet dat iedereen een pij hoeft aan te trekken: ‘Het punt is dat er zo ontzettend veel is om je af te leiden van je pad naar verlichting. Het grootste gevaar is het idee dat je alle tijd hebt. Mensen denken vaak “eerst ga ik dit of dat nog doen, dan ga ik me bezighouden met spiritualiteit,” maar misschien is het dan wel te laat. Los daarvan, wanneer je geen tijd neemt voor introspectie en reflectie, krijgt je leven geen verdieping. Je kunt dan veel minder zin en waarde geven aan ieder moment van je bestaan.’

Zijn passie en intensiteit winnen het tijdelijk van de serene rust. Hij krijgt het er warm van, gooit de rode sjaal van zijn schouders en zegt indringend: ‘Ieder moment is zó kostbaar, omdat het kan worden gebruikt voor je ontwikkeling op weg naar het ontwaken. Dat is geen egoïstisch streven, omdat je alleen dán in staat bent ook anderen uit hun lijden te verlossen. De beste manier om je eigen lot te verbeteren, is je boven alles het lot van anderen aan te trekken. Wanneer je ophoudt met je ego te koesteren en te beschermen, komt er een hoop energie vrij en heb je veel meer invloed op je omgeving.’

Ricard kan het weten. Vrijwel alle tijd die hij niet doorbrengt met meditatie en spirituele studie besteedt hij aan het leiden van een groot aantal humanitaire projecten. Ook het geld dat hij met zijn (foto)boeken verdient, steekt hij in deze Shechen-projecten, waarmee in Tibet onder meer scholen, bruggen en ziekenhuizen worden gebouwd. De projecten vragen zijn voortdurende aandacht en vormen een geweldige uitdaging om een staat van serene gelijkmoedigheid te handhaven. Zelfs hier in Europa wordt hij niet met rust gelaten en rinkelen zijn telefoons regelmatig.

Ondanks zijn grote inzet is er bij Ricard geen sprake van een heilig moeten, of een christelijk soort plichtsbesef om zijn naasten lief te hebben. Vanuit zijn boeddhistische achtergrond kijkt hij heel anders naar christelijke concepten als ‘schuld’, ‘boete,’ ‘goed’ en ‘kwaad.’ Ricard: ‘Vanuit het boeddhisme is er geen tegenstelling tussen “goed” en “kwaad”. Het kwaad, zoals wij dat in het Westen definiëren, bestaat in feite niet eens. Het is slechts een zinsbegoocheling, een verstoorde blik op de werkelijkheid. De ware aard van wezens is namelijk volmaakt, zelfs wanneer die is verduisterd door onwetendheid. “Zonde” of een “val uit het paradijs” bestaan ook niet. Het enige dat er gebeurt, is dat we onze oorspronkelijke aard vergeten. We zijn alleen maar ingedut, verdoofd.’

Volgens Ricard wordt de schijntegenstelling tussen goed en kwaad extra lastig omdat veel mensen God daarvoor verantwoordelijk stellen: ‘Als je de schepping als het werk van God ziet, dan worden “goed” en “kwaad” al snel absolute waarheden – onveranderlijke dogma’s, die de geest beheersen.’ Hij gelooft niet in een ‘opperbouwmeester’ van het heelal. ‘Maar,’ zegt hij, ‘als je onder God de absolute waarheid of oneindige liefde verstaat, dan kan ik mij daar heel goed in vinden.’

Het is tijd om terug naar Nederland te gaan. Ricard loopt mee naar de taxistandplaats op het nabijgelegen Place Victor Hugo. Met zijn rode pij en blote rechterarm is hij een opmerkelijke verschijning. ‘Een vlag van het boeddhisme,’ zegt hij zelf. Hij heeft ervoor gekozen voltijds monnik te zijn, maar stelt ons gerust. Volgens hem is dat niet nodig: ‘Je kunt een rijk spiritueel leven hebben, terwijl je per dag maar een half uur mediteert. Maar’, voegt hij er waarschuwend aan toe, ‘meditatie is niet hetzelfde als even gaan zitten om je gelukzalig te voelen. Het is ook een analytische benadering om de aard en het functioneren van de geest te doorgronden. Daarnaast is het van belang tussen de meditaties door “wakker” te blijven, zodat je niet terugvalt in oude gewoonten.’

Voor Ricard is een contemplatief leven in deze tijd wel essentieel – niet alleen voor onszelf, maar vooral ook vanuit compassie voor de lijdende medemens. ‘Het is van meer belang dan ooit dat mensen wakker worden voor hun eigen boeddhanatuur. Zonder spirituele waarden kan materiele vooruitgang alleen maar op een ramp uitlopen. Begrijp me goed: ik ben helemaal niet voor een soort oubollige terug-naar-de-natuur-beweging. Waar het mij om gaat, is de kwaliteit van leven. Nomaden in Tibet halen lang niet zoveel “winst” uit het leven als een Amerikaanse zakenman, maar ze weten wat ze moeten doen om hun leven niet te verspillen. Ze weten wat ze moeten doen om wakker te worden.’

Maar, zo vertrouwt Ricard ons nog toe, je hoeft ook geen nomade in de Tibetaanse hooglanden te zijn om de ware rijkdom van het leven te proeven en gelukkig te zijn: ‘Ieder wezen streeft naar geluk. Geluk is ons geboorterecht. Ieder wezen heeft het vermogen om een boeddha te worden, om bevrijding te bereiken en volmaakte kennis te verwerven.’ De taxi trekt op. In de spiegel zie ik hem in de menigte verdwijnen, terwijl sommige mensen zich omdraaien of hem aanspreken. Herkennen ze hem van de televisie, of is het de rode pij die de aandacht trekt? Hoe dan ook, hij maakt zijn zelfgekozen eretitel ‘vlag van het boeddhisme’ meer dan waar.




Auteur: © Tijn Touber

Met dank aan Ode