Fouad Laroui: Allah is persoonlijk
 

Steeds vaker hoorde Fouad Laroui moslims dingen beweren waaruit bleek dat ze nauwelijks benul hadden van hun eigen religie en al helemaal niet van andere religies. Het zette hem aan tot het schrijven van een boek, Over het Islamisme. Ode sprak met de auteur.

Voor Fouad Laroui was de maat vol. Schoon genoeg had hij ervan om elke keer te moeten uitleggen waarom er in de hemel zeventig maagden op zelfmoordterroristen zitten te wachten. Zat was hij het om over één kam te worden geschoren met imams die in zijn ogen de grootst mogelijke onzin uitkraamden. Hij had ook geen zin meer om antwoord te geven op de vraag wat hij daar ‘als moslim’ van vond. Fouad Laroui was dan wel in Marokko geboren, maar dat betekende nog niet dat hij verantwoordelijk kon worden gehouden voor opvattingen van mensen die de religie waarmee hij was grootgebracht, hadden gekaapt voor hun eigen machtswellust.
 Zo vaak al had hij vrienden, collega’s en studenten uitgelegd, dat er een groot verschil is tussen de islam als geloof en het islamisme als politieke stroming. De verwarring ontstond iedere keer wanneer deze twee door elkaar werden gehaald. Laroui: ‘Geloof is een individuele, “verticale” aangelegenheid. Het is een persoonlijke ervaring – een zaak tussen jou en God. Religie, daarentegen, is een collectief, “horizontaal” gebeuren, dat mensen niet zozeer met God verbindt, maar met elkaar.’

Omdat die ‘horizontale’ verbinding bij de islam steeds extremere vormen aannam, besloot Laroui er een boek over te schrijven. Over het Islamisme is een glashelder betoog, dat de holle frases van moslimfundamentalisten, die beweren uit naam van Mohammed of de Koran te spreken op sublieme, en vaak geestige wijze ontmaskert. Laroui schiet met scherp, maar weet waarover hij het heeft. Naast studies in wiskunde, natuurkunde, filosofie en econometrie, bestudeerde hij de grote wereldgodsdiensten en publiceerde hierover. Dat is ongetwijfeld de reden waarom hij er vandaag zo ontspannen bij zit, hier aan een tafeltje in een Amsterdams café.

Laroui was in eerste instantie niet van plan zelf een boek te schrijven, maar kon nergens iets vinden dat in begrijpelijke taal uitlegt wat er momenteel aan de hand is in de moslimwereld. Hij zag het als ‘zijn burgerplicht’ om zo’n boek te schrijven ‘zodat jonge mensen die hun weg in de religieus-spirituele wereld nog moeten vinden een helder standpunt kunnen innemen en zich niet laten verleiden door fundamentalisten die hen op het internet opdringerig het hof maken’.

Voor Fouad Laroui werd het thema van de radicale islam – dat hij ‘islamisme’ noemt – pas urgent toen hij zeven jaar geleden terugkeerde in zijn favoriete stad: Amsterdam. Als kind woonde hij in Casablanca, waar hij een Franse school bezocht. Vervolgens vertrok hij naar Parijs, om daar, aan een Grandes Ecoles – een soort eliteschool die boven de universiteit staat – zijn diploma tot civiel ingenieur te halen. Daarna werkte, studeerde en doceerde Laroui in Casablanca, Brussel, Amsterdam en Yorke om begin 2000 weer terug te keren naar Nederland. Laroui: ‘Ik hou van Amsterdam. Of, beter gezegd, ik hield van Amsterdam. In het Engelse Yorke kon ik soms echt nostalgisch worden als ik dacht aan die tolerante stad waar iedereen zijn gang kon gaan en waar de geestelijke en intellectuele vrijheid zo hoog in het vaandel stonden.’ Die verheven waarden werden in november 2004 aan flarden geschoten door de kogels uit het geweer van Mohammed B, een moslimextremist die de Nederlandse cineast Theo van Gogh vermoordde.

‘Die moord was een keerpunt,’ zegt Laroui. ‘Ik begon me soms onbehaaglijk te voelen in mijn eigen stad. Wat me vooral bijzonder irriteerde, is dat “de moslim” in het publieke debat steeds meer synoniem werd met een soort achterlijk figuur die niet in staat zou zijn één stap te zetten zonder de imam of de Koran te raadplegen. In televisieprogramma’s hoorde ik moslims dingen beweren waaruit bleek dat zij geen enkel benul hadden van hun eigen religie en al helemaal niet van andere religies – iets dat wat mij betreft toch wel een vereiste is als je een serieus debat wilt.’

Laroui mag dan enigszins getergd klinken, een drammer of prediker is hij allerminst. Hij formuleert nauwkeurig en is geïnteresseerd in de mening van anderen. Zijn taal is die van de rede, van het onderbouwde argument. Maar wat hem vooral onderscheid van menig moslimdeskundige die zich in het publieke debat mengt, is zijn gevoel voor humor. Wie zijn romans en dichtbundels leest, maakt kennis met een scherpzinnig, erudiet denker met een groot talent voor joie de vivre. Een avondje doorzakken met Laroui is vast geen straf.

Maar vandaag is hij vooral de analyticus die klaarheid moet brengen in het verhitte debat. Om te beginnen wil hij dit kwijt: ‘De Koran is niet het boek dat de islamisten ervan hebben gemaakt. Te beweren dat de Koran antwoord zou kunnen geven op alle levensvragen is onzin. De Koran zegt vrijwel niets concreets over liefde, seksualiteit, mensenrechten, politiek, geschiedenis, eten, drinken, enzovoorts. Natuurlijk staan er passages in die je kunt opvatten als aanwijzingen voor het dagelijkse leven, maar voor ieder van dat soort passages zijn er tien andere te vinden die het tegendeel beweren. Je doet de Koran als religieus geschrift enorm tekort door er per se dingen in te willen lezen die er niet in staan. In feite verlaag je God daarmee.’
Neem nu de veel aangehaalde passage over een gerechtvaardigde heilige oorlog: in soera IV, vers 5 staat te lezen: ‘Doodt de goddelozen overal waar jullie hen vinden!’ In diezelfde Koran staat echter ook het volgende te lezen: ‘Voor de Koran openbaarde God de Thora en het evangelie, als leidraad voor de mensen’ (soera III, vers 3). En: ‘Zij die geloven, zij die het jodendom aanhangen, de christenen en de Sabiërs die in God en de laatste dag geloven en die deugdzaam handelen, voor hen is hun loon bij hun Heer en zij hebben niets te vrezen noch zullen zij bedroefd zijn’ (soera II, vers 62).

Laroui: ‘Veel moslims halen ook de hadith aan, een verzameling boeken met commentaren van moslimtheologen op de Koran. Deze hadith wordt vaak gebruikt om religieuze haat te sanctioneren. Maar ook hier vind je evenveel oproepen tot verdraagzaamheid, getuige de volgende uitspraak die aan de profeet wordt toegekend: ”Ik waarschuw jullie voor godsdienstig extremisme, want het heeft de ondergang veroorzaakt van de volken die jullie voorafgingen”.’
De Koran wemelt – net als de Thora, de Bijbel en de Bhagavad Gita – van de tegenstrijdigheden. Volgens Laroui is dat logisch: ‘De Koran is niet bedoeld om letterlijk te nemen. Het is geen wetboek, maar een religieus geschrift, dat tot verwondering, verdieping en geloof kan inspireren. Mensen die in discussie gaan over hoeveel maagden er in het hiernamaals zitten, zijn lichtjaren van het geloof verwijderd.’ Tegenstrijdigheden volop, inderdaad. Neem het al dan niet nuttigen van wijn. Is wijn een weldaad van God, zoals soera XVI, vers 6 lijkt te zeggen: ‘... jullie nemen ervan een bedwelmende drank en goede voeding, jullie vergund door God...’? Of is het verboden, zoals uit soera II, vers 219 blijkt: ‘Ze vragen jou naar de wijn en het kansspel. Zeg: in beide is grote zonde.’?

Laroui moet grinniken om het onmogelijke pakket waarin de op de letter van het geschrift levende moslim terecht is gekomen: ‘Uit psychologisch oogpunt bevinden zij zich in een heel interessante situatie. De Koran dient gelezen te worden als het onaantastbare, volmaakte en volledige woord van God, terwijl er ook passages in staan die elkaar tegenspreken en dus niet kloppen. Heeft God dan een fout gemaakt?’ Een rekensom leert dat, wanneer je de tegenstrijdige passages optelt, 2 tot 5 procent van de Koran ‘fout’ is. Laroui: ‘De Britse antropoloog Gregory Bateson toonde de psychische schadelijkheid aan van wat hij double bind (tegenstrijdige bevelen) noemde. Wat je ook doet, het is nooit goed.’

Laroui maakt zich grote zorgen over de psychische schade die veel fundamentalisten lijden: ‘Het gezond verstand verstart wanneer je op alles een antwoord wilt hebben. Fundamentalisten willen alles binnen de grenzen van de Koran plaatsen. Ze willen de Grondwet, het burgerlijk recht, het strafrecht, economische principes, enzovoorts – baseren op de sharia (de islamitische wet die door God zou zijn gegeven) en zien niet in dat een heilig boek daar totaal ongeschikt voor is.’ Hij komt met een praktisch voorbeeld: ‘Neem nou homoseksualiteit. Islamisten beweren dat je een homoseksueel van een flatgebouw van vijf verdiepingen moet duwen. Waarom vijf? Waarom niet zes of achttien? Omdat er in een tekst uit de veertiende eeuw een passage staat over vijf verdiepingen. Dat letterlijk nemen – nog afgezien van het feit dat het natuurlijk volstrekt ontoelaatbaar is om homoseksuelen te willen vermoorden – is te dom voor woorden! Tegenwoordig kun je een cyber-imam raadplegen als je wilt weten of je naar carnaval mag gaan en of je je vrouw per sms mag verstoten.’ Zijn gezicht drukt een mengeling uit van afgrijzen en hilariteit. Als het allemaal niet zo beladen was, zou hij er waarschijnlijk hartelijk om lachen.

‘Twintig jaar geleden,’ zegt hij, ‘was er nog geen sprake van mobiele telefoons, internet, klonen, enzovoorts. Het is onmogelijk godsdienstige regels met betrekking tot elk van deze onderwerpen op te stellen. En wie zou er in de islam gekwalificeerd zijn dat te doen? Een paar jaar geleden verklaarde Abdellaziz Ubn Baz, de voornaamste religieuze leider van Saudi-Arabië, nog dat de aarde plat was.’

Nu is het natuurlijk niet zo dat alleen de islam een patent heeft op religieus extremisme. Je hoeft niet ver in de geschiedenis terug te gaan om joods-christelijke heksenjachten, godsdienstoorlogen en terreurdaden te vinden. Sterker nog, je hoeft helemaal niet in de geschiedenis terug te gaan. Ook de Amerikaanse president George Bush zwaait met het heilige geschrift om zijn terreurdaden in Irak en Afghanistan te rechtvaardigen. Toch houdt vooral het moslimextremisme de wereld momenteel in haar greep. Heeft hij daar een verklaring voor?

Laroui: ‘Het begon allemaal ruim twintig jaar geleden. Daarvoor bestond het woord “islamisme” nog niet eens in zijn huidige betekenis van een totalitaire en op macht gebaseerde islam. Het woord “islamisme” werd toen door elkaar gebruikt met het woord “islam,” zoals bijvoorbeeld het “soefisme” en de “soefi-religie” ook door elkaar worden gebruikt. Dat alles veranderde in 1979 toen ayatollah Khomeini in Iran aan de macht kwam. Hij werd de held van de moslims omdat hij 444 dagen lang de “Grote Satan” uit het westen voor gek durfde zetten door de Amerikaanse ambassade te gijzelen. Khomeini, zelf geen Arabier, gaf de Arabier op dat moment als het ware een nieuwe identiteit: moslim.’

Laroui herinnert zich een heel andere islam dan de totalitaire visie van Khomeini: ‘Toen ik als kind in de jaren zestig in Marokko opgroeide, was de islam een goedmoedige religie, te vergelijken met het katholicisme van de meerderheid van de Italianen. Zij noemen zich katholiek, maar in de praktijk gaan ze hooguit drie keer in hun leven naar de kerk: voor de doop, om te trouwen en om te sterven. Datzelfde gold voor de meerderheid van de Marokkanen. In het dagelijks leven was religie niet zo belangrijk.’

Er waren bijvoorbeeld geen kledingvoorschriften. Laroui: ‘Als kinderen zaten we hele dagen aan zee. Mijn zussen en nichtjes liepen gewoon in bikini. Nu is dat heel anders en gaan vrouwen om religieuze redenen niet naar het strand.’ Ook islamitisch onderwijs was toen minder vanzelfsprekend. Zijn vader zond hem naar een Franse kostschool, omdat het de beste opleiding was om te leren lezen, schrijven en rekenen. Het feit dat het geen islamitische school was, was een pré. Laroui: ‘Leren deed je op school, islam praktiseerde je thuis. Zo simpel was dat. Tegenwoordig krijgen kinderen in Marokko zowel op de basisschool als in het middelbaar onderwijs in totaal 884 uur islamitische scholing tegen 409 uur geschiedenis, aardrijkskunde en burgerschapkunde en 714 uur natuurkunde en biologie.’

Om te begrijpen waarom de religieuze machtsgreep van Khomeini zo’n enorme impact had, moeten we iets verder terug in de tijd. Laroui: ‘De oprichting van de staat Israël in 1948 heeft in het radicaliseringproces van veel moslims een grote rol gespeeld. Ineens had je namelijk middenin de Arabische wereld de zoveelste koloniale coup. Door de bril van de Arabier bezien, was het heel simpel: ineens kwamen er mensen uit Polen, Rusland, enzovoorts op hun land wonen. Dat werd als vernederend ervaren.’

Enkele jaren later, in 1956, neemt de Egyptische president Abdel Nasser het Suez kanaal. De crisis die dan ontstaat, leidt tot een gewapend conflict met Israëlische, Franse en Britse troepen. Onder druk van de Verenigde Staten en de Sovjet Unie bij de Verenigde Naties worden deze echter gedwongen te vertrekken. Door zijn onverzettelijke houding ten opzichte van de oude koloniale machten – Engeland en Frankrijk – en de nieuwe koloniale macht – Israël – werd Nasser een held binnen de Arabische wereld.

Elf jaar later, in 1967, echter verliezen Egypte, Syrië en Jordanië binnen zes dagen de oorlog tegen Israël, dat vanaf dat moment – met hulp van de Verenigde Staten – alleen maar machtiger wordt. Veel Arabieren voelen zich door deze nederlaag diep vernederd. En dan, in 1979, komt er opnieuw een sterke man, die het op durft te nemen tegen de Westerse imperialisten: Ayatola Khomeini. Laroui: ‘Dit werd een beslissende ommekeer voor de Arabische wereld die de vernederingen moe was en dankzij Khomeini de sleutel tot vergelding vond: het islamisme. Als Arabier voelden veel mensen zich afgeserveerd, maar als moslim hadden zij gewonnen van het machtige Amerika.’

Vanaf dat moment definiëren steeds meer mensen zichzelf als ‘moslim’. Het wordt zelfs een geuzennaam. Laroui ziet het om zich heen gebeuren: ‘Meisjes die ik enkele jaren geleden nog zag lopen in een strakke spijkerbroek, dragen nu een hoofddoekje. Het droevige – voorlopige – dieptepunt zijn de Afghaanse Taliban (letterlijk: studenten van theologie, red.), die er in zijn geslaagd zo ongeveer alles wat het leven de moeite waard maakt uit te bannen: plezier, nieuwsgierigheid, vliegeren, filosoferen, dansen, musiceren, seksualiteit...’

Hij valt even stil om een slok te nemen en meewarig het hoofd te schudden. Het verlies van geestelijke, intellectuele en menselijke waardigheid gaat hem aan het hart: ‘Ooit was de Arabische cultuur een voorbeeld voor de rest van de wereld. Maar,’ voegt hij er veelbetekenend aan toe, ‘de cultuur bloeide alleen toen die vrij was van ideologisch dogma. In de tijd dat het Arabisch een wetenschapstaal was en Bagdad en Cordoba culturele wereldhoofdsteden waren, was theologie strikt gescheiden van wetenschap. Het had alles te maken met wie er aan de macht was. Als de kalief (wettelijke en geestelijke leider en representant van Allah op aarde, red.) zelf geïnteresseerd was in filosofie en wetenschap dan bloeiden die op. Als de kalief zich alleen op de islam richtte, dan ebden die weg. De laatste grote bloeiperiode was rond 1100 ten tijde van Al-Mansour. Nadien heeft de Arabische wereld eigenlijk geen enkele noemenswaardige filosoof of denker meer voortgebracht.’

Het gebrek aan aansprekende voorbeelden uit de eigen cultuur en de daaruit voortvloeiende identiteitscrisis waarin veel arabieren zich momenteel bevinden, hebben een groot effect op de zogenoemde ‘tweede generatie’ moslims in westerse landen. Laroui: ‘Jonge mensen zijn op zoek naar hun identiteit. Wanneer zij er niet in slagen in te burgeren, grijpen ze terug op een andere identiteit, bijvoorbeeld “Marokkaan” of “moslim”. Het is echter niet zo makkelijk om je met het label “Marokkaan” te vereenzelvigen. Want wat is een Marokkaan? Dat is eigenlijk heel vaag. Wat voor kleding draagt een Marokkaan? Wat eet hij? Wat voor regels moet je in acht nemen? Dat is veel minder duidelijk dan het predikaat “moslim”. Dan heb je meteen een duidelijke identiteit.’

Op zich hoeft dat niet direct tot extremisme te leiden: ‘Op een gegeven moment krijgt zo iemand een baan, gaat trouwen en krijgt kinderen. Dan verwatert die aangenomen moslimidentiteit meestal. Bij ongeveer 10 procent gebeurt dat echter niet. Die blijft psychisch labiel. Mohammed B. is hiervan een schoolvoorbeeld. Rond zijn zestiende raakte hij in een identiteitscrisis met bijbehorende depressie. Voor hem kwam het islamisme als geroepen. Ineens had hij absolute zekerheid over alles. Psychisch labiele mensen zoeken nu eenmaal een groot houvast.’

Voor Mohammed B. komt zijn boek te laat. Laroui weet het, maar ‘mijn boek is ook niet voor dat soort mensen geschreven. Die lezen namelijk niets dat ook maar een greintje afwijkt van waar ze in geloven. Voor mensen als Mohammed B. is het te laat.’ Liever richt hij zich op mensen die op hun zestiende nog niet antwoord hebben op alle levensvragen. Laroui: ‘Vroeg of laat staat ieder van ons voor een fundamentele keuze tussen “geloof” en “godsdienst”. Ik ben er van overtuigd, dat het element van “geloof” bij vrijwel iedereen aanwezig is. Zelfs als je in een eiland in de Stille Oceaan bent geboren en nooit hebt gehoord van Jezus, Mohammed of de openbaringen, zul je toch zo nu en dan een transcenderende ervaring hebben – het gevoel dat je één bent met de wereld, met het heelal. Dat is de ervaring van een individu die zijn plek binnen het geheel ineens voelt. En dat gevoel is in essentie ontzettend vredig.’ Hij leunt achterover en kijkt enigszins spottend: ‘Je gaat iemand niet de oorlog verklaren omdat je ’s nachts op het strand naar de sterren keek en het gevoel had deel van de schepping te zijn.’

En zijn eigen geloof, hoe zit het daarmee? ‘Daar geef ik nooit antwoord op,’ zegt hij glimlachend. ‘De filosofische reden daarachter is dat ik denk dat het betekenisloos is daarover iets te zeggen. Zoals de Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein zei: “Waarover je niet kunt spreken, daarover moet je zwijgen.” Hij voegde eraan toe dat hetgeen écht belangrijk is, niet in woorden is uit te drukken. Woorden over religieuze ervaringen zijn altijd bij benadering. Ik geloof dat de wereld er een stuk vrediger aan toe zou zijn als ieder zijn geloof drie hoog achter zou belijden.’

Hij drinkt zijn glas jus d’orange leeg, kijkt op zijn horloge en herinnert zich het essay over sjiisme dat hij dit weekend nog moet schrijven, de gedichtenbundel die af moet en de zesde roman die in de steigers staat. Tijd voor een gezin heeft hij niet, wél om zich als goed burger in te zetten voor de samenleving waarvan hij houdt en die hij vrede gunt – dezelfde vrede (salam betekent vrede) die is vervat in de naam van het geloof waarin hij werd grootgebracht. Laroui gelooft dat die vrede dichterbij zal komen, wanneer wij het fundamentele verschil tussen geloof en religie leren zien. ‘Dit,’ zegt hij, ‘is wat ze boven de deur van iedere moskee moeten spijkeren: “Er zijn alleen maar individuen”.’ En weg is hij, zijn favoriete Amsterdam in.




Auteur: © Tijn Touber
Met dank aan Ode