De depressie epidemie

Al jaren vroeg ik me af hoe het toch komt dat er zoveel antidepressiva worden geslikt. Zijn de mensen zoveel ongelukkiger geworden? Of schrijft de dokter te lichtzinnig zijn recepten voor?

Wat is de rol van de farmaceutische industrie in deze toename van het slikken van medicijnen die bijwerkingen hebben die niet gering zijn?

Ik vond een boek rijk aan waardevolle informatie over deze precaire materie en voor mij een eye-opener. “De Depressie-epidemie” van prof. dr. Dehue gaf mij inzichten. Nergens bagetaliseert zij in haar boek het psychische lijden waar mensen enorm onder gebukt kunnen gaan. Ook komt zij niet met kant-en-klaar antwoorden op hedendaagse problemen. Wel geeft zij ons een doorwrocht werk boordevol feitelijke informatie, dat toch niet saai is om te lezen. Ze geeft de lezer die niet op de hoogte is van bepaalde toestanden onthutsende informatie, maar weet dit te doen zonder te vervallen tot oordelen.
Na een korte introductie van de schrijfster, wil ik ingaan op de inhoud van het boek. Omdat het werk heel veel belangrijke zaken aankaart, was het moeilijk om een keuze te maken en dingen weg te laten. Ik heb dan ook getracht om de grote lijnen van het boek te volgen.
Vervolgens heb ik Trudy Dehue enkele vragen gesteld en het gesprek weergegeven.

Introductie
Prof. dr. G.C.G. (Trudy) Dehue studeerde zowel af in de psychologie als in de filosofie. Daarvoor werkte ze met een hbo diploma in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Ze is hoogleraar wetenschapstheorie en wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Groningen.
In 1990 promoveerde ze cum laude op een proefschrift over de historische veranderingen in de betekenis van het begrip “wetenschap”.
In haar boek “De depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen”(2008), gaat zij in op het begrip depressie.

Nederland lijkt op het eerste oog een gelukkig welvarend land, maar toch worden er schrikbarend veel antidepressiva geslikt. Mevrouw Dehue vroeg zich af hoe dit mogelijk is. In haar heldere boek “De depressie-epidemie” legt ze uit hoe het woord depressiviteit van betekenis veranderde en geeft ze een grondige analyse van de rol die de psychiatrie, de farmaceutische industrie, de biologische wetenschap, de journalistiek, de overheid en de hulpverlening gespeeld hebben in de beeldvorming van psychische problemen.

Inhoud boek: we slikken bergen antidepressiva

Het gebruik van antidepressiva pillen stijgt schrikbarend. Vooral in welvarende landen en ook in Nederland. In 2006 slikten al ruim een miljoen Nederlanders deze pillen.
Ook zijn er allerlei andere therapieën om depressies te bestrijden. Denk aan psychotherapie, hypnotherapie, lichttherapie, acupunctuur etc.
Daarnaast wordt er veel aan zelfhulp gedaan. Mensen slikken Sint-janskruid en omega-3 vetzuren, doen aan sport of gaan proberen hun brein te reguleren door neurolinguïstisch programmeren (een methode van intrapersoonlijke en interpersoonlijke communicatie en verandering van subjectieve ervaringen) of neurofeedback.(hersenactiviteit trainen)
Hoe is dit zover gekomen? Zijn we week geworden door de verzorgingsmaatschappij en klagen we te snel? Is het de farmaceutische industrie die mensen vol wil proppen met pillen om veel geld te verdienen of is er nu pas oog voor de depressiviteit waaronder mensen lijden en werd deze aandoening vroeger onderbehandeld?
Mevrouw Dehue laat zien dat het een samengaan van verschillende factoren is die ervoor zorgen dat we met z’n allen in een depressie-epidemie zijn beland en dat er veel meer aan de hand is dan de drie bovengenoemde verklaringen. Ze komt dan ook met een vierde verklaring.

Omschrijving van depressie

De meeste Nederlandse tests en zelftests voor depressie zijn gebaseerd op de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders- dit zijn door de American Psychiatric Association vastgelegde maatstaven voor psychiatrische ziektelabels zoals depressie).


 

In de herziene vierde versie van de DSM uit 2000 staat dat men een “dysthyme stoornis” heeft als men gedurende minstens twee jaar doorgaans somber is en daarbij hinder ondervindt in het functioneren. Iemand heeft echter al een “majeure depressieve stoornis”als deze persoon minstens twee weken aan minstens vijf criteria voldoet, zoals een neerslachtige stemming en gebrek aan belangstelling voor de dagelijkse bezigheden en verder last heeft van energieloosheid, besluiteloosheid, slecht concentratievermogen, overdreven gevoelens van schuld of waardeloosheid, te veel of te weinig slapen of te veel of te weinig bewegen, sterk aankomen of afvallen of terugkerende doodsgedachten. Het dagelijks functioneren moet wel belemmerd zijn en deze factoren mogen niet uit rouw voortkomen. Zo te zien zijn het nogal flexibele criteria.

Door de tijd heen is er verschillend over ziekten gedacht.

Zo werd in het midden van de negentiende eeuw ziekten beschouwd als een balansverstoring tussen het individu en zijn omgeving. In de tweede helft van de negentiende eeuw veranderden mede door de ontdekking van bacillen bepaalde overtuigingen over ziekten. Ze werden gezien als zelfstandige entiteiten, die als dingen rondwaarden en mensen konden treffen. Hierdoor gingen we van een holistisch ziektemodel naar een entiteitsmodel. De Duitse psychiater Kraepelin ging stoornissen classificeren op basis van overeenkomsten van patiënten.
De beroemde psychiater Freud wees het entiteitsmodel af en zag psychische ziekten eerder als een gevolg van innerlijke conflicten die uniek zijn per persoon en een luisterend oor was in zijn opinie dan ook onontbeerlijk voor de hulpverlening aan psychiatrische patiënten. Hij was een aanhanger van het psychodynamische model.

Om behandelingen vergoed te krijgen van verzekeraars werd het echter belangrijk om diagnoses te stellen en dus noodzakelijk om klachten van patiënten te categoriseren. De DSM werd steeds groter. Elke versie werd dikker. Het boek de stoornissen op die voorkomen in de bevolking. Het doet geen uitspraken over de oorzaken en haar labels staan dan ook slechts voor bij elkaar gegroepeerde symptomen. Zo is bijvoorbeeld de term ADHD (attention deficit hyperactivity disorder) een beschrijving van een aantal gedragskenmerken, en geen oorzaken van die kenmerken, en toch zien zowel burgers als hulpverleners de term AHDH als een ziekte en steeg het aantal recepten dat uitgeschreven werd voor deze aandoening explosief.
Ook auteurs van wetenschappelijke teksten zien de labels van de DSM aan voor echte ziekten met alle gevolgen van dien. Wanneer mensen labels tot onderdeel van hun identiteit maken en ernaar gaan leven worden deze labels harde feiten.
De wetenschap categoriseert/beschrijft de werkelijkheid en in zoverre de classificaties van een bepaalde wetenschap overgenomen wordt bepaalt het succes van de desbetreffende wetenschap.De DSM is een eclatant succes geworden. Miljoenen exemplaren zijn er in omloop en het boek is maar liefst in tweeëntwintig talen vertaald. Het gevolg hiervan is dat bepaalde gedragingen in landen de status van stoornis hebben gekregen die ze daar aanvankelijk niet hadden. In Japan bijvoorbeeld bestond depressie niet als ziekte, maar werd melancholie gezien als teken van gevoeligheid en wijsheid.

De realiteit verandert mee met de classificaties die de wetenschap ervan maakt. Toen het psychodynamische model van met de derde versie van de DSM veranderde in een entiteitsmodel had dit invloed op de manier waarop psychische aandoeningen beschouwd werden. Wanneer depressiviteit in biologische termen gedefinieerd wordt lijkt praattherapie niet zo zinvol.

Neerslachtigheid in biologische termen gedefinieerd

Inmiddels wordt depressiviteit al gezien als een hersenziekte.

Na de Tweede Wereldoorlog werd hydrazine, een brandstof voor raketten verkocht aan de farmaceutische industrie. Die maakte hier iproniazide van en wilde dit inzetten als middel tegen tuberculose.
De tuberculoselijders werden er buitengewoon vrolijk van en het concept van een stemmingsverbeteraar was geboren. Het middel had vreselijke bijwerkingen (cardiovasculaire problemen, bloedarmoede en leverschade), maar het idee van geluk uit een pilletje was ontstaan.
De ene na de andere pil werd ontworpen en in 1986 kwam de grote klapper Prozac. Dit middel behoort tot de SSRI’s (Selective Serotonin Reuptake Inhibitors).Deze naam drukt het vermoeden uit dat de pillen werken doordat ze de doorstroming van serotonine in de hersenen bevorderen.(in technische termen: doordat ze de heropname remmen van serotonine door het presynaptische neuron).Dit was dus slechts een vermoeden. Heel veel feiten over SSRI’s waren niet duidelijk en over het precieze effect ervan was men het ook oneens. Bij vroege proeven met bloedzuigers werden deze dieren vooral hongerig en vertoonden ze meer bijtgedrag.

Prozac-fabricant Lilly deed gigantisch veel aan reclame voor dit middel.

Een vloedgolf van nieuwe SSRI’s overspoelden vervolgens de markt: Fevarin, Cipramil, Zoloft en Seroxat. Zij werden grif verkocht, net als hun opvolgers de SNRI’s (Serotonin and Norepinephrine Reuptake Inhibitors) : Cymbalta en Efexor.
Het succes van deze middelen was zo enorm dat in 2005 Efexor in de wereldtoptien van de meest verkochte medicijnen kwam.
Ook al is er tot op de dag van vandaag nog steeds geen bewijs voor de hypothese dat de oorzaak van neerslachtigheid in de hersenen ligt, de enorme hype van de SSRI’s en SNRI’s, zou ons anders doen geloven.

De biologie van depressie is nog steeds een raadsel, genen die stemmingsstoornissen zouden veroorzaken zijn nog steeds niet gevonden en hersenscans van gezonde en depressieve mensen zijn ook niet eenduidig. Er zijn verschillen tussen de scans van de mensen die lijden onder neerslachtigheid en er is sprake van een overlap van de scans van gezonde en depressieve mensen.
Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen biologische factoren in het spel zijn, maar dit laat wel zien dat er heel veel veronderstellingen zijn en geen zekerheden.




De farmaceutische industrie en de wetenschappelijke onderzoeker als ondernemer

Veel wetenschappelijke onderzoekers zijn ondernemers geworden. Ze moeten zorgen dat hun ideeën of producten verkocht worden. Het gevolg is dat in hun artikelen hypothesen worden gebracht als op handen zijnde doorbraken. Vervolgens neemt de media het over en presenteert onzekerheden die nog verder onderzoek behoeven als vaststaande feiten.

Sinds 1997 mogen farmaceutische bedrijven in de Verenigde Staten zich richten op voorlichting aan het grote publiek. Op tv, in kranten en tijdschriften ziet men advertenties voor bepaalde middelen tegen allerlei ziekten. Via internet bereiken ze eveneens de mensen buiten Amerika. Er zijn veel websites voor antidepressiva met zelftests en uitleg van de serotoninetheorie. De formuleringen zijn zodanig dat het wetenschappelijk mag. Ze balanceren dus op het randje van de toelaatbaarheid door niet al te krasse uitspraken. Ondertussen suggereren ze echter wel dat depressiviteit een biologische oorzaak heeft en de afbeeldingen van neurotransmitters in de synaptische spleet tussen neuronen spreken boekdelen. Mensen realiseren zich door dergelijke plaatjes niet dat het slechts om hypotheses gaat. Vermoedens worden gepresenteerd als zekerheden.

Reclamebedrijven verzorgen de campagnes van de farmaceutische bedrijven. Vaak worden beroemdheden uit de kast gehaald (celebrity buzz) om hun “ziekte-bewustwordingscampagnes” kracht bij te zetten. Een beroemdheid bekent dan het probleem ook te hebben of gehad te hebben.
In Nederland mag geneesmiddelenreclame niet, maar gebeurt het indirect via websites. Soms worden deze websites via radiospotjes aangeprezen. Ook was in 2005 de samenwerking van Wyeth met het onderzoeksbureau TNS-Nipo regelrechte reclame voor anti-depressiva. Het persbericht “Forse daling ziekteverzuim door antidepressiva”werden door De Telegraaf en Spits overgenomen. De omzetstijging van Wyeths antidepressivum Efexor bewees hoe goed deze reclamecampagne aansloeg.
Het is eveneens shockerend om te weten dat academici regelmatig medicijnen promoten en hier geld voor toucheren.

De journalist Joop Bouma publiceerde in 2006 een boek getiteld “Slikken. Hoe ziek is de farmaceutische industrie”. Hij noemt namen van bekende medici die reisjes maken betaald door de farmaceutische industrie en vervolgens de producten van hun sponsors aanprijzen. Ook andere onregelmatigheden zoals gesponsorde patiëntenverenigingen komen aan bod in zijn boek. “Psychiaters te koop? De invloed van de farmaceutische industrie op het psychiatrisch denken en handelen”(2006) een boek van Walter Vandereycken en Ron van Deth is eveneens een voorbeeld van het feit dat Nederland wel degelijk “Amerikaanse toestanden” kent. Het boek gaat over de zelfverrijking van psychiaters die medicijnen promoten en biologische hypothesen als waarheid presenteren.
Ook het idee dat de reclamecampagnes worden betaald door de verkoop van medicijnen is niet bepaald vrolijk makend.

Het feit dat het voortbestaan van universitaire onderzoeksgroepen steeds meer afhankelijk is van het geld dat ze zelf binnenbrengen is ronduit bedroevend. De wetenschapper is hiermee een ondernemer geworden. Onderzoek dient lucratief te worden. Het binnenhalen van biomedische patenten is inmiddels een miljoenenhandel geworden.
Universiteiten richtten biotechnologische bedrijven op en gaan naar de beurs.
Op deze manier vallen de “softe therapieën”steeds meer buiten de boot en in de marge van de wetenschap. Hiermee valt domweg niet genoeg geld te verdienen.

Bijwerkingen van antidepressiva, RTC’s en belangenverstrengeling

Natuurlijk zijn er mensen die grandioos opknappen door het slikken van antidepressiva, maar hoe dat komt weet men nog niet. Het placebo-effect speelt mogelijk ook een rol. De bijwerkingen die deze middelen geven zijn echter niet bepaald gering.

De stichting Pandora meldt de volgende neveneffecten van de pillen: suïcidale neigingen, agressie, afvlakking van gevoelens, libidoverlies, huidsuitslag, droge mond, transpireren en nog veel meer. Ook zijn er ernstige onthoudingsverschijnselen waardoor het afbouwen vaak moeizaam verloopt.

Men vraagt zich af hoe dergelijke gevaarlijke middelen toch op de markt komen. Worden ze niet eerst getest? Ja meestal via RCT’s.

RCT’’s (randomized clinical trial of randomized controlled trial) zijn experimenten die de medicijnen moeten testen. Simpel gesteld gaat het hier meestal om twee vergelijkbare groepen mensen die pillen toegediend krijgen. Meestal krijgt de ene groep het te testen geneesmiddel en de andere groep een placebo, een neppil. De experimenten zijn dubbel blind, dat wil zeggen dat nog de proefpersonen noch de uitvoerders van het experiment weten wie welke pil krijgt. Deze procedure dient om na te gaan of mensen opknappen door het medicijn zelf of door het idee dat ze worden geholpen. Gaan de deelnemers die de neppil krijgen er even hard op vooruit als degenen die het echte medicijn slikken?

Nadat deze RCT’s beoordeeld zijn, wordt er besloten of een middel een licentie krijgt.
RCT’s zijn echter verre van volmaakt. De experimenten duren veelal een paar weken en dit is vaak te kort om de bijwerkingen goed in te kunnen schatten. Ook is een experiment met proefpersonen in een kunstmatige omgeving niet vergelijkbaar met het echte leven. RCT’s gaan er bovendien van het entiteitsmodel uit. RCT’s en de holistische therapie die naar het levensverhaal van de patiënt kijkt, zijn immers niet verenigbaar.

De uitslagen van de experimenten laten zien dat de helft van de mensen niet opknapt door een antidepressivum en dat de meerderheid van de helft die wel een verbetering toont eveneens zou opknappen door een placebo.
Een andere reden tot zorg is het feit dat de functie van de RCT in de loop van de tijd veranderd is, en niet ten goede. De RCT had oorspronkelijk als doel om farmaceutische middelen te controleren. Tegenwoordig is het veeleer een middel geworden om medicijnen te promoten. Een medicijn komt tegenwoordig op de markt door bewijsvoering die gemaakt is in opdracht van de farmaceutische industrie.

Het geneesmiddelenonderzoek wordt steeds meer verricht door commerciële onderzoeksorganisaties. Deze organisaties zijn afhankelijk van hun opdrachtgevers. In plaats van dat het hun taak is om de opdrachtgevers te controleren, helpen ze hen om medicijnen op de markt te krijgen.
Ook fuseerden onderzoeksorganisaties steeds vaker met reclamebedrijven. Al tijdens het onderzoek wordt er aan reclame voor de middelen gewerkt die uitgetest worden.
Tegenvallende resultaten worden achtergehouden en positieve uitslagen aangedikt.
Er zou een betere regelgeving en controle moeten komen om dit soort toestanden te vermijden. De financiering van het medicijnonderzoek zou niet in handen moeten liggen van de farmaceutische industrie zelf.

De rol van de overheid

De hebzucht van de farmaceutische industrie en hun aandeelhouders is niet de enige factor die een rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de depressie-epidemie. Ook de overheid verspreide de boodschap dat depressiviteit een ziekte is die onderbehandeld is.

Het Trimbos instituut heeft in Nederland een actieve rol gespeeld.”Doorbraakproject Depressie”en “evidence-based depressiezorg in de regio” zijn initiatieven van het Trimbos instituut om mensen bewust te maken van deze ziekte. Het is de bedoeling dat depressiviteit eerder getraceerd wordt en artsen de ziekte makkelijker leren herkennen bij hun patiënten.

Waarom doet de overheid dit toch? Zijn wij echt kasplantjes geworden die heel veel zorg behoeven?

De depressie-epidemie ontstond eigenlijk pas toen de verzorgingsstaat steeds meer verdween.
De overheid zorgt juist minder, maar wil dat burgers steeds beter voor zichzelf leren zorgen. Zelfredzaamheid wordt steeds belangrijker en mensen moeten leren beter te functioneren.

Geld

Toegenomen levenslust is uit te drukken in euro’s, tenminste in de beleidsnota’s over depressiviteit. De kop van een persbericht over het Landelijk Depressie Initiatief (o.a. dertig GGZ- instellingen en het Trimbos instituut werkten hieraan mee) luidde dan ook “Kostenbesparing 600 miljoen euro”. Psychische stoornissen en met name depressiviteit zorgen voor een groot deel van de WAO-instroom volgens deze nota.

Het probleem van onvoldoende levenslust is dus in het neoliberale marktdenken vooral een probleem van afgenomen productiviteit. Neerslachtigheid en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor het dagelijks functioneren kosten de maatschappij geld.
Therapie wordt veelal vervangen door voorlichtingen, trainingen en cursussen. Mensen moeten zichzelf verbeteren en actief, dynamisch en succesvol worden als ze dat nog niet zijn. Doen ze dat niet dan heten ze “depressief”, zodat dit woord er een extra betekenis bij gekregen heeft.
Individuele verantwoordelijkheid en ziekte preventie worden essentieel. We moeten onszelf als ondernemingen beschouwen en die dienen goed te functioneren. Er zijn tal van manieren om tot zelfverbetering te komen. We dienen het lot in eigen handen te nemen en dingen te doen die goed voor ons zijn zoals sporten en gezond eten.
De media werkt hier volop aan mee. Tijdschriften staan boordevol zelftests en zelfhulpboeken gaan als warme broodjes over de toonbank.
En wanneer het nog allemaal niet lukt is er hulp door een pil, het antidepressivum. Deze pillen worden niet voor niets vaak beschouwd als prestatiepillen.

De biologische interpretatie van depressiviteit ontneemt ons niet onze verantwoordelijkheid. We moeten juist leren onze gebreken te overstijgen. Door een actieve preventieve aanpak van onszelf kunnen we ervoor zorgen dat we maximaal blijven functioneren.

Symbolisch is de “tail suspension test”, een proef die met muizen wordt uitgevoerd. De diertjes worden aan hun staartje opgehangen en de mate en duur van hun verzet wordt opgemeten. Deze dieren krijgen een antidepressivum toegediend en hoe langer ze tegenstribbelen des te beter scoort het medicijn.
Een mens en een muis kun je niet vergelijken, maar dat depressiviteit tegenwoordig gezien wordt als een gebrek aan ondernemingslust wordt erg duidelijk uit de opzet van deze proeven.
Voor afwijkende mensen, de verliezers, is er steeds minder ruimte in deze maatschappij.
Net zoals afwijkende normen qua uiterlijk steeds meer dienen te worden weggepoetst en minder worden getolereerd , wordt afwijkend gedrag door het niet mee te willen draaien in de rattenrace van de prestatiemaatschappij steeds minder geaccepteerd.

Conclusie

Er zijn veel factoren/partijen die bijdroegen aan de depressie-epidemie. De grote overkoepelende factor is de neoliberale marktmaatschappij die van alles, ook van de stemming van individuele mensen, een product maakt dat economische waarde moet hebben. Het boek laat zien doe dat uitwerkt in de farmaceutische industrie, maar ook aan de universiteiten, in de journalistiek en bij al die andere partijen, en uiteindelijk dus in het hoofd van ons allemaal.


 

Auteur: © Irma Ellens Maat
 

Dit artikel verscheen zowel in Frontier Magazine sept/okt 2009 als in Spiegelbeeld december 2009.

Bronnen:

  • De depressie epidemie. Over de plicht het lot in eigen handen te nemen. 2008 Trudy Dehue, uitgeverij Augustus.
  • Uw brein als medicijn. Zelf stress, angst en depressie overwinnen. 2008 Dr. David Servan-Schreiber, Kosmos Uitgevers.