Chemo? Of kan ik zelf kiezen?

Na het schrijven van mijn eerste boek ‘Voor en na de diagnose; een ongelijke strijd?’ lag het beslist niet in mijn bedoeling aan een tweede te beginnen. Ongeveer vier maanden geleden werd ik echter benaderd door een uitgever met het verzoek het onderwerp Chemotherapie eens kritisch aan de orde te stellen in een boek met als titel ‘Chemotherapie en de Eed van Hippocrates’.

Tijdens een eerste, oriënterend gesprek heb ik om meerdere redenen dit aanbod enthousiast omarmd met dien verstande, dat ik dat onderwerp graag wenste te benaderen in combinatie met de door velen gevoelde wens de terminale patiënt in Nederland in dat eindstadium op goede gronden therapievrijheid te bieden. Ik kom daar later in dit artikel op terug.

Omdat chemotherapie zo’n geaccepteerd fenomeen blijkt te zijn, tracht ik, om begrijpelijke redenen in kort bestek, eerst een voedingsbodem te vinden om dat ‘kritisch aan de orde stellen’ te onderbouwen. Ik neem u daarvoor mee naar een door professor kinderoncologie Huib Caron van het Emma Kinderziekenhuis AMC in 2007 uitgevoerd onderzoek, dat niet aan de aandacht van de medisch specialisten kan zijn ontgaan. Het desbetreffende team heeft daartoe alle kinderen opgespoord die voor enige vorm van kanker in het AMC behandeld zijn in de periode 1966 tot 1996; gedurende een tijdsverloop derhalve van dertig jaar. Uiteraard diende men zich helaas te beperken tot de overlevenden! Van de overlevenden heeft 95procent, 1.362 patiënten met een gemiddelde leeftijd van nu 24 jaar meegedaan aan een zeer uitvoerig gezondheidsonderzoek en de resultaten daarvan waren in een woord schokkend.

Omdat het rapport gestaan heeft in het jaarlijkse themanummer van het prestigieuze Amerikaanse medische tijdschrift JAMA, kan ik hier enkele bevindingen weergeven, maar ik laat deze vooraf gaan door een citaat van Huib Caron, die stelt dat zijn collega’s en hij geschokt zijn door hun eigen onderzoeksresultaten: ‘Als kinderarts wil je kinderen genezen. Nu ruilen we één ernstig probleem in voor soms wel drie andere. Je kunt maar één conclusie trekken: we doen het als dokters niet goed genoeg’. Een uitspraak die naar mijn opvatting getuigt van grote en ongekende openhartigheid in de medische werelden van een zeer hoog ethisch normbesef, voor welke ik het grootst mogelijke respect heb.

Enkele cijfers:
• 40% van de overlevenden aan kinderkanker lijdt aan ernstige of levensbedreigende ziekten, die een rechtstreeks gevolg zijn van de behandelingen die ze hebben gehad; (Caron: Het soort aandoeningen waar het om gaat komt bij 24-jarigen eigenlijk niet voor).
• 75% van de voormalige kinderkankerpatiënten krijgt één of meer problemen met de gezondheid als gevolg van de behandeling;
• 25% heeft zelfs vijf of méér gezondheidsproblemen tegelijk.

Caron pleit er dan ook voor om iedereen die een vorm van kinderkanker heeft overleefd, levenslang onder controle te houden. Daardoor kan vroegtijdig worden ingegrepen als zich die nieuwe ziekten voordoen en kan ernstige gezondheidsschade beperkt of voorkomen worden.
[uitgelichte tekst] schokkende onderzoeksresultaten chemo.

Doofpot
Graag wil ik ter illustratie van deze hartverscheurende problematiek een neutrale verslaglegging toevoegen, die u zult kunnen vinden door hier te klikken.
Omdat dit wellicht ook voor u een openbaring zal zijn, vermeld ik nog het resultaat van een onderzoek van Dr. Ulrich Abel, een Duitse epidemioloog van de Heidelberg/Mannheim Tumor Clinic. Abel heeft van alle belangrijke onderzoeken naar en klinische experimenten met chemotherapie die ooit zijn uitgevoerd, een uitgebreid overzicht gemaakt, geanalyseerd en kritisch bekeken. Om zich te vergewissen dat hij alles wat ooit gepubliceerd is over chemotherapie in zijn conclusie zou betrekken, zond Abel brieven naar meer dan 350 medische centra over de gehele wereld met de vraag hem alles te sturen wat door hun wetenschappers ooit gepubliceerd is. Hij bestudeerde duizenden artikelen en het is nauwelijks denkbaar dat iemand meer kennis over chemotherapie heeft vergaard dan hij.

De analyses kostten hem verscheidene jaren en de resultaten waren teleurstellend. Hij ontdekte dat het totale, wereldwijde aantal positieve ‘resultaten’als gevolg van chemotherapie schokkend was, omdat er eenvoudigweg nergens wetenschappelijke bewijzen beschikbaar waren voor het feit dat chemotherapie erin slaagt om ‘het leven van patiënten met de meest voorkomende typen organische kanker op noemenswaardige wijze te verlengen’. Abel benadrukte dat chemotherapie er zelden in slaagt om de levenskwaliteit te verbeteren, bestempelt de therapie als een financiële verspilling, beschrijft haar als een wetenschappelijke kommer en kwel en stelt dat ten minste 80% van de chemotherapie die in de wereld wordt toegepast geen enkel nut heeft. Maar ook al bestaat er geen enkelwetenschappelijk bewijs dat chemotherapie werkt, noch de artsen, noch de patiënten zijn bereid om ervan af te zien. (bron: The Lancet) Geen van de belangrijke media heeft dit uitgebreide onderzoek ooit geciteerd: het is volledig in de doofpot gestopt.

Tot slot citeer ik uit de eigen gelederen van de oncologie:
Blijkens een in de VS gehouden enquête onder oncologen (bron: Los Angeles Times en het McGill Cancer Center in Montreal) met daarin de expliciete vraag of zij na de diagnose kanker bij zichzelf of hun familieleden zouden opteren voor een behandeling met chemo, antwoordde ruim 80% van de respondenten ontkennend. Als argumenten werden daarbij aangevoerd de uiterst geringe kans op genezing en de diskwaliteit van leven na de uiterst giftige chemo. Betreurenswaardiger nog acht ik echter de omstandigheid dat door diezelfde beroepsgroep aan 75% van hun kankerpatiënten met nadruk chemotherapie wordt aanbevolen!

Genoeg over chemotherapie. Tenslotte valt onder diezelfde therapievrijheid ook, dat iedere patiënt die voor deze behandeling kiest dat ook in volledige vrijheid moet kunnen doen. Mijn pleidooi in het boek betreft echter de terminale patiënt, aan wie in Nederland de mogelijkheid wordt ontzegd om zich alsnog in volledige vrijheid te oriënteren op alternatieve mogelijkheden die hem -op basis van het daarvoor heersende en onontkoombare protocol niet meer worden geboden. Sterker nog, omdat hij als ‘uitbehandeld’ wordt beschouwd en als zodanig is gestigmatiseerd, krijgt hij verder geen enkele andere medische steun dan palliatieve begeleiding en zelfs een verzoek om een MRI wordt afgewezen als hij een mogelijk bereikt resultaat opgrond van alternatieve geneeskunde langs deze weg wenst te verifiëren.


Eed van Hippocrates

Artseneed
Een samenwerking tussen de Nederlandse faculteiten geneeskunde en de Koninklijke Maatschappij tot bevordering der Geneeskunde (KNMG) heeft er toe geleid, dat bij de uitreiking van de artsenbul op alle universiteiten een ogenblik van reflectie wordt ingelast op normen en waarden. Door de initiatiefnemers wordt in dat verband nog opgemerkt -en ik citeer nu: “dat die Nederlandse eed moet aansluiten bij de veranderingen in de uitoefening van het beroep, in de maatschappij en in de manier waarop men tegen de geneeskunde en artsen aankijkt”. Er is een aantal wetten waaraan artsen zich vanzelfsprekend moeten houden. Het zélf uitspreken van een eed of belofte is iets anders. Het markeert het moment van toetreding tot de beroepsgroep, en doet de kandidaat zich realiseren welke hoogstaande principes hij voor ogen heeft.’

De Nederlandse artseneed luidt:
Ik zweer/beloof dat ik de geneeskunst zo goed als ik kan zal uitoefenen ten dienste van mijn medemens. Ik zal zorgen voor zieken, gezondheid bevorderen en lijden verlichten. Ik stel het belang van de patiënt voorop en eerbiedig zijn opvattingen. Ik zal aan de patiënt geen schade doen. Ik luister en zal hem goed inlichten. Ik zal geheim houden wat mij is toevertrouwd. Ik zal de geneeskundige kennis van mijzelf en anderen bevorderen. Ik erken de grenzen van mijn mogelijkheden. Ik zal mij open en toetsbaar opstellen, en ik ken mijn verantwoordelijkheid voor de samenleving. Ik zal de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg bevorderen. Ik maak geen misbruik van mijn medische kennis, ook niet onder druk. Ik zal zo het beroep van arts in ere houden. Zo waarlijk helpe mij God almachtig.

Het is niet aan mij om het bovenstaande hier in het licht te plaatsen van de toepassing van chemo bij kanker; daaraan besteed ik in mijn boek uitvoerig aandacht. Wel meen ik de strekking van deze eed te mogen projecteren op de gewettigde eis van de terminale patiënt. Ik maak daartoe eerst een stapje naar het buitenland. Duitse artsen genieten reeds jaren een in de grondwet verankerde therapievrijheid, waardoor zij niet beperkt zijn tot standaard behandelingen als opereren, bestralen of chemotherapie. De twaalf rechters van het hoogste juridische gerechtshof in Karlsruhe besloten unaniem, dat bevoegde artsen bij ernstig zieke patiënten volledige vrijheid van handelen hebben én (!) … dat verzekeringsmaatschappijen de voorgeschreven therapie dienen te vergoeden. In Duitsland worden dus nieuwe, maar ook klassieke geneeswijzen volop ingezet en naast elkaar gebruikt!

In Engeland werd het roer, op initiatief van het Ministerie van Gezondheid aldaar, pas op 22 maart 2008 omgegooid, getuige de krantenberichten van 22 maart 2008 en een uitzending van de BBC. Er werden 19 specialistische (kanker)centra aangewezen voor uitbehandelde patiënten, waarbij nieuwe, nog niet wetenschappelijk onderbouwde behandelmethoden en medicijnen worden ingezet om de desbetreffenden een laatste kans te bieden.

Wat zijn daarvan de effecten?
1. De opzienbarende winst voor de terminale patiënt. Niet alleen geeft het hem (na de alarmerende uitspraak, gemaakt door zijn behandelend specialist, ‘terminaal’ en onbehandelbaar te zijn) nieuwe hoop, maar bovendien verkrijgt hij nu de zo broodnodige support van een medicus, die gelooft in een ‘alternatieve’ behandeling. Tevens kan de patiënt nu vragen om bijvoorbeeld een scan of een bloedonderzoek om van die nieuwe hoop ook een bevestiging te krijgen tijdens en na de nieuw gekozen weg.
2. De gebruikelijke testtijd voor nieuwe medicijnen en therapieën wordt -bij benadering- gehalveerd, hetgeen zeer in het belang geacht kan worden van toekomstige patiënten.
3. Geen onnodige slachtoffers, waarbij ik ondermeer verwijs naar de in mijn boek beschreven fatale ongelukken in de testfase van diverse nieuwe medicijnen.

Als ik daarnaast nog mag inhaken op een bericht van de journaliste Sonja Crielaard (juni 2008): “Er doen te weinig mensen mee aan klinische studies waarin middelen tegen kanker worden getest. Hierdoor duurt het te lang voordat wetenschappelijke inzichten worden vertaald in behandelmethodes. Dat zegt KWF Kankerbestrijding. Patiënten kunnen er baat bij hebben om zich op te geven als proefpersoon. Ze kunnen er mogelijk beter van worden. Maar ook als dat niet zo is, heeft het nut: ze kunnen zo een bijdrage leveren aan de strijd tegen kanker. ”Niet wetend of dit laatste komt uit de pen van Sonja dan wel eveneens ontleend is aan uitspraken van het KWF, voor ons is het glashelder dat bij overname van het Britse concept in ieder geval dit probleem voor het KWF is opgelost.


Deze foto tracht de parallel te symboliseren tussen enerzijds de onkwetsbaar geachte steenrots (bovenste deel van de foto), die door water- en winderosie toch zijn betrekkelijkheid moest ervaren (onderste deel) en anderzijds ons lichaam, waaraan veelal soortgelijke kwaliteiten worden toegedicht.

Chloorazijn
Op 25 juni werd Wim Huppes (internist, biotechnoloog en kennismedewerker bij het College voor Zorgverzekeringen) geïnterviewd door Ana Karadarevic. Wim Huppes kreeg in april 2007 te horen dat hij prostaatkanker had in een vergevorderd stadium. “Ik heb slechts een dag gehuild en daarna ging ik uitzoeken hoe ik in leven kon blijven”. Zijn prostaat werd, conform het daarvoor geldende protocol, operatief verwijderd, en wat hem betrof stopte de reguliere behandeling daar. Met zijn kennis van de geneeskunde, hij werkte tot1989 als internist in een ziekenhuis, ging Huppes experimenteren met medicijnen. Na twee experimenten met andere middelen probeerde hij chloorazijn. Het werkte bij hem meteen. “Het verminderde de pijn”. Belangrijker is, dat hij nog leeft. Waar met reguliere bestraling en chemotherapie de dood volgens hem misschien enkele maanden zou zijn tegengehouden, is hij inmiddels ruim een jaar na de diagnose kanker nog steeds in leven en weer aan het werk.

Zijn ziekte bleek, ironisch genoeg, een voorbeeld te zijn van wat er mis is in de reguliere zorg. Immers, de manier waarop hij zichzelf heeft genezen mogen artsen niet toepassen op anderen met kanker. Testen of het ook voor anderen zou werken, zit er zelfs niet in. Los van de patiënt heeft geen enkele partij belang bij testen, omdat chloorazijn een goedkoop middel is. De kosten van het onderzoek kunnen niet worden terugverdiend. “Je moet weten dat het door alle overheidsregels 850 miljoen euro kost en een tiental jaren duurt om een nieuw medicijn op de markt te brengen”. Volgens Huppes is het gevolg daarvan, dat de zorg geen innovatieve sector is en dat dus iedereen een standaardbehandeling krijgt. Die is voor zo’n 85 procent van de zieken niet optimaal. Sterker nog: ‘Artsen werken volgens richtlijnen en schrijven patiënten behandelingen voor die zij vaak niet op zichzelf zouden toepassen.’ Ziet u hier overigens de parallel met wat ik hiervoor memoreerde ten aanzien van de enquête in de VS onder oncologen?  Bij mannen met uitgezaaide prostaatkanker wordt het bekken bestraald, ook als hun levensverwachting nihil is. “De patiënten hebben daardoor 13 procent minder kans op pijn in het bekken maar moeten er wel vaak voor naar het ziekenhuis en ervaren vervelende bijwerkingen, zoals pijn en bloed bij de ontlasting en tijdens het plassen. Bovendien staat de uitkomst bij voorbaat al vast.

Voor meer informatie klik hier.




Auteur: © Drs. Henk Trentelman

Van zijn hand verscheen ook het boek: Chemo? of kan ik zelf kiezen?


Met dank aan: Spiegelbeeld, waarin dit artikel stond in het oktober nummer 2008