U kunt meer dan u denkt
Aanvullende maatregelen om kanker te helpen voorkomen en genezen
 

 


Onlangs is het nieuwe boek van de arts Hans Moolenburgh sr verschenen.
Wijwordenwakker.org kreeg toestemming een aantal pagina’s te plaatsen.
We hebben voor u een keuze gemaakt van tekstfragmenten uit verschillende hoofdstukken.

De titel van het boek is: U kunt meer dan u denkt.

HC Moolenburgh is bekend geworden door de beoefening van de terreingeneeskunde en de niet-toxische tumortherapie.

Hoofdstuk 1: Overzicht van de vroege diagnostiek

Mevrouw A. komt op spreekuur. Ik heb haar als klein kind nog in de praktijk gehad maar ze is nu een struise Noord-Hollandse vrouw geworden met appelwangen. Ze heeft nog altijd kuiltjes in de wangen als ze lacht, wat ze als kind al graag en veel deed. Toch heeft die lach nu iets plichtmatigs, iets al te nadrukkelijks.
Ik stel haar eerst op haar gemak, praat even wat over vroeger, vraag naar haar tegenwoordige leven. Ze woont in het buitenland, is getrouwd en heeft twee kinderen. Ze vertelt me levendig over haar fijne leven, maar ik voel dat ze toch gespannen is.
‘En, wat brengt u naar mij toe?’
Dan komt het verhaal eruit. Sinds enige tijd heeft ze pijn in een van haar borsten en er komt vocht uit de tepel. Een mammografie laat niets ernstigs zien. Een punctie brengt een kleine fibroadenoom aan het licht, een goedaardig gezwelletje. ‘Geen reden tot ongerustheid,’ heeft de specialist haar verzekerd, maar ja, daarmee is de kous niet af, want ze is wel ongerust. Ze heeft daar ook enige reden toe. Ze had een vriendin bij wie eerst ook geen reden voor ongerustheid was bij een goedaardig tumortje, en die nu uitgezaaide kanker heeft. En waarom heeft de specialist gezegd haar eens per half jaar weer terug te willen zien? Dat zou hij toch niet gezegd hebben als hij zelf helemaal zeker was?
Dat is de vraagstelling.
Dit is – ondanks de verzekering die haar gegeven is – een bange patiënte onder haar stralende glimlach waarmee ze zowel zichzelf als haar omgeving (inclusief haar arts) tracht gerust te stellen. Als arts kun je hier formidabel intrappen door aan haar bagatelliseren mee te doen.
Ik zeg haar dus het volgende: ‘We weten nu zeker dat u geen kanker hebt en dat is al heel wat.’
Oei, dat komt even hard aan. Daar wordt voor het eerst dat gevreesde woord uitgesproken, maar daarmee wordt het meteen een beetje van zijn magische gracht ontdaan.
‘Maar,’ vervolg ik, ‘die borst is onrustig en we weten niet waarom. Het is dus van belang een test met u te doen die het me mogelijk maakt uw terrein te verkennen. Daar is waarschijnlijk iets mis mee en dat kunnen we dan herstellen, zodat die borst tot rust komt en geen verdere nare verrassingen meer in petto heeft.’
Vervolgens vertel ik haar iets over het terrein en over die testen. Dat verhaal ziet er zo uit: 

Stelt u zich voor dat u ergens in Gelderland fietst, bijvoorbeeld bij Gorssel in de buurt, en u komt zo’n typisch vennetje tegen. Dan hebt u een behoorlijke kans de zonnedauw te vinden: dat interessante plantje met zijn blaadjes vol rechtopstaande haartjes met aan elk haartje een glinsterend druppeltje – vandaar de naam. Dat is geen dauw maar een kleverig, sterk verterend sap, dat insecten – met chitinepantser en al – kan oplossen. Onze inheemse zonnedauw – de drosera rotundifolia, zoals zijn deftige naam luidt – is een van de beste middelen tegen kinkhoest, waarvan hij de taaie slijmdraden oplost. Hij groeit alleen in vennetjes. Het is natuurlijk niet zeker dat u hem daar op die dag vindt maar dat is zijn terrein.

Of stelt u zich voor dat u op een zomerdag tegen een zondoorstoofde duinhelling opklimt en ineens een heel prettige geur ruikt. Niet sterk, doch ontegenzeggelijk. U speurt tussen het helmgras naast het zandpaadje en ja hoor, daar ziet u een klein paars kussentje. U strijkt er met uw hand langs en ruikt een heerlijke tijmlucht. Het bloeiende plantje uit de familie van de lipbloemigen houdt de zomer vast en is een geweldig middel om tijmstroop van te maken. Het helpt ons als wij hoestend en proestend de natte koude novembermaand doorworstelen. Het is niet zeker dat u het plantje die dag op die helling vindt, maar het is zeker dat als u het aantreft, dat op een droge, zonnige plek is, want dat is zijn ideale terrein.

Of stelt u zich voor dat u in Friesland aan het zeilen bent. U vaart met halve wind langs een lange rietkraag terwijl de boeggolven het riet mee doen wiegen. Dan klinkt uit het riet een opgewekt gezang waar u helemaal vrolijk van wordt: de karekiet! Het is natuurlijk niet zeker dat u hem net op dat moment zult horen maar als u hem hoort, dan is het bij zo’n dichte rietkraag, want daar woont hij. Het is zijn terrein.
U vindt de karekiet niet naast een tijmkussentje, en de tijm niet naast de zonnedauw in het vennetje.
Zo kan men ook bij de mens spreken van een ‘terrein’. Iemand die jarenlang een liter jenever per dag drinkt, schept een ideaal terrein voor een levercirrose of een keelkanker – maar zeker dat die hem zal aantasten kan men nooit helemaal zijn.

Iemand die jarenlang twee tot drie pakjes sigaretten per dag rookt, schept een ideaal terrein voor een longkanker – al zijn er altijd mensen die de dans ontspringen.

Een jongeman die in een stad woont waar het water gefluorideerd is, heeft meer kans dan jongens uit ongefluorideerde steden om een botsarcoom te ontwikkelen – een zeer gevaarlijke kankersoort waarbij ledematen moeten worden afgezet en die maar al te vaak door long- en hersenuitzaaiingen de patiënt ten grave sleept – al zijn er ook genoeg jongens die het niet krijgen. De gefluorideerde jongen heeft alleen een sterker sarcoomterrein.
Als men erg gevoelig is, gaat het mis.

Het zou van groot belang zijn te weten welk terrein een mens heeft, want dan weet men wanneer zo iemand extra voorzorgsmaatregelen moet nemen: men kan dan preventie bedrijven lang voordat het eindstadium van de lange weg bereikt is – en voorkomen dat de eerste kankercel vaste voet aan wal krijgt.

De Duitse kankertherapeut Ryke Geerd Hamer hamert erop, dat er een ‘ijzeren regel’ voor het ontstaan van kanker is: dat er door een acuut, heftig emotioneel conflict een verkeerde polarisatie van een specifiek hersendeel ontstaat, waardoor zich een kankergezwel gaat ontwikkelen in dat deel van het lichaam dat door het aangetaste hersendeel wordt verzorgd.

Het is zeker waar dat heftige emotionele conflicten nogal eens aan kankers voorafgaan, maar zelfs al zou een deel van de hersenen daardoor ineens gepolariseerd worden, dan nog moet er in het lichaam een voortoestand van kanker bestaan – anders zouden de zich eventueel ontwikkelende kankercellen meteen worden opgeruimd. Daarom heeft Hamer nog geen ongelijk: wij hebben allen min of meer een precancerose, omdat we niet aan alle gewoonten van onze cultuur kunt ontsnappen, tenzij u een heremiet op de berg Athos bent. Iedereen heeft dus min of meer een kankerterrein, maar nu gaat het erom: is dat te behappen – kunnen we ermee omgaan, zoals u regelmatig het onkruid uit uw tuin wiedt – of loopt het uit de hand. Er wordt geschat dat u zelf voor tachtig tot negentig procent in staat bent een kanker tegen te houden, maar dan moet u vroeg beginnen.

Hoe meten we waar u bent?
Er zijn enkele testen waarvan ik de ervaring heb dat ze betrouwbaar zijn in het meten van het terrein. Ze geven nooit de zekerheid van kanker aan – dan zou het geen terreintest zijn – maar ze kunnen goed aanduiden of iemand maar nauwelijks kans heeft om de ziekte op te lopen of dat zo iemand bezig is een ideaal terrein op te bouwen voor kwaadaardige tumorvorming. Met zo’n test is ook te zien hoe het met iemand gesteld is die na een reguliere kankerbehandeling ‘genezen’ naar huis is gestuurd. In zo’n test ziet men bijna altijd de donderbui nog duidelijk hangen, en het is opwindend om te zien hoe de testen in drie tot vijf jaar langzaam maar zeker steeds beter worden – al heeft een van mijn patiënten (die in een eindstadium verkeerde en te horen had gekregen dat ze nog maar enkele weken te leven had) er maar liefst vijftien jaar over gedaan voor ze schoon was.

 De 86-jarige Hans Moolenburgh, vitaal als nooit tevoren

Uitgebreid shrijft hij daarna over de bio elektronika test van VINCENT uit de dertiger jaren, de CEIA methode van Franse artsen uit 1958 en de RADIONICA ontwikkeld door Dr. Albert Abrams in het begin van de 20ste eeuw, later verder uitgewerkt door ingenieur George de la Warr in de dertiger jaren en een generatie later door Franz Morell met het naar hem genoemde MORA- apparaat, het eerste elektronische diagnostische apparaat.

Over het begin van de RADIONICA schrijft dokter Moolenburgh:

Radionica

Op een goede dag stap ik op mijn fiets en rijd naar het Diaconessenhuis, vlak bij mijn huis, om een bevalling te doen. Het is twee uur ’s middags, mijn vrouw is in Amsterdam en mijn assistente is op haar kamer.
De bevalling verloopt vlot en om half vier wordt het kindje geboren. Ook de placenta komt snel en zo kan ik om vier uur weer naar huis fietsen.
‘Ik heb de thee net voor je klaar,’ zegt mijn assistente als ik binnenkom.
‘Hoe heb je dat zo precies uitgemikt?’
‘O, de baby werd om ongeveer half vier geboren.’
‘Hoe wist je dat?’
‘Ik heb een bloedmonster van de kraamvrouw op mijn radionicatoestel gezet en ingesteld op zwangerschap en elke tien minuten gekeken. Om twintig over drie was ze nog zwanger, om half vier niet meer.’
Wat gebeurt daar voor vreemds? Het lijkt wel toveren.
Hier is het verhaal:

In het begin van de twintigste eeuw was een beroemde arts werkzaam in San Francisco. De specialismen waren toen nog niet zo gescheiden en deze Dr. Albert Abrams had zijn sporen verdiend in chirurgie, interne geneeskunde en neurologie.
Op een dag percuteerde (beklopte) hij een overigens gezonde jongeman met een klein kankertje aan de lip: hij stuitte eerst vlak boven de navel en toen net aan de binnenkant van het schouderblad op een dof klinkend plekje, maar tot zijn verbazing alleen als de man naar het westen gedraaid stond. Hij wist het op dat moment nog niet maar hier werd een nieuwe vorm van geneeskunde geboren, die de ‘elektronische’ geneeskunde genoemd zou worden. Het elektron was nog maar kort tevoren ontdekt en Abrams vroeg zich af of kanker een bepaalde straling had. Al gauw vond hij de dof klinkende plekken op dezelfde plaats bij andere kankerpatiënten. Ook bij patiënten met andere ziekten vond hij specifieke huidplekken die bij percussie dof klonken.

Abrams volgende stap was om de patiënt achter een scherm te zetten en met een elektronische draad met een vrijwilliger te verbinden. Wanneer hij deze gezonde jongeman nu nauwkeurig beklopte bleek deze dezelfde doffe plekken te vertonen als de patiënt. Op het moment dat een verpleegster de draad losmaakte verdwenen de doffe plekken bij de gezonde jongeman.

Vervolgens werd de patiënt vervangen door een vers stukje kankerweefsel dat juist bij een operatie verkregen was. Wanneer dat via een draad met de vrijwilliger werd verbonden vond Abrams opnieuw dezelfde doffe plekken – maar altijd alleen als de man met zijn gezicht naar het westen stond.

Ten slotte bracht Abrams een druppel bloed van de patiënt op een filtreerpapiertje in verbinding met de gezonde proefpersoon en het resultaat bleef hetzelfde.
Zo ontdekte hij niet alleen dat verschillende ziekten elk hun eigen straling hebben, maar ook dat de geneesmiddelen die deze ziekten gunstig beïnvloeden dezelfde straling hebben.

Abrams was daarmee zijn tijd zeker vijftig jaar vooruit. Verfijnde apparatuur van de laatste decennia heeft precies hetzelfde aangetoond – al is dat feit nog niet tot de geneeskundige faculteiten doorgedrongen.
Tevens bevestigde hij zo tussen neus en lippen door een van de nieuwe verklaringen van de werking van homeopathie, die weliswaar nog niet zo door de grondlegger Samuel Hahnemann werd geformuleerd, maar die speciaal in de twintigste eeuw steeds duidelijker werd.

Als Albert Abrams dacht een bepaalde straling gevonden te hebben die met elektronen te maken had, is dat mijns inziens maar gedeeltelijk waar. Wat de elektronen betreft, denk ik dat Abrams zich vergiste, en dat we met een andersoortige straling te maken hebben, die juist in de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer in de belangstelling is komen te staan. Het is een subtiele straling die bijvoorbeeld door professor Rupert Sheldrake wordt omschreven in de leer van de morfogenetische (vormgevende) velden: deze straling gaat volgens hem vooraf aan elke uitwendige manifestatie – wie ‘straling’ zegt, heeft tevens met een veld te maken. Dit nieuw ontdekte veld, kan het beste een ‘informatieveld’ genoemd worden, dat aan de materie bericht hoe die zich gedragen moet.

In de homeopathie denkt men tegenwoordig dat het een informatieveld is, dat bij de homeopathische bereiding wordt overgedragen op een medium als melksuiker of water – en dat zo op het lichaam inwerkt: het zieke lichaam ontvangt van het genezende informatieveld (dat door het medium als melksuiker of water wordt vastgehouden) de precieze informatie hoe het weer van een ziekte kan genezen. Dit is een directe verklaring voor het feit dat het draagmiddel geen materie meer hoeft te bevatten van het oorspronkelijke middel waaruit het homeopathische geneesmiddel werd bereid.

Wat Abrams ook lukte was het volgende. Hij wist bijvoorbeeld dat kinine malaria genas (in de periode vóór de malariaparasiet resistent werd). Als hij nu een elektrode verbond aan malariatabletten, en een andere elektrode aan het voorhoofd van de patiënt – met een versterkend kastje ertussen geschakeld – dan bleek het aldus doorgestraalde veld van de kinine net zo goed te werken als de kinine zelf. De huidige behandelingsapparatuur – de vijfde generatie na Abrams – werkt in principe nog steeds met dezelfde technieken en heeft nog steeds succes. Toch is deze geneeswijze na honderd jaar nog niet door de reguliere geneeskunde erkend.

Abrams testte vele substanties, waaronder bijvoorbeeld kwik, waarvan men zei dat het de destijds nog florerende syfilis genas. Die werking is nog terug te vinden in een medisch studentliedje uit die tijd:

Ook zout van kwik en bloem van zwavel,
Dropen hem tappelings langs de navel,
Dit mag geen verwondering baren,
Want een mens is geen lantaarn.

Naarmate zijn onderzoek vorderde werd Abrams door een steeds groter deel van de medische wereld, die hem eerst bewonderd had om zijn grote kennis, als een paria behandeld, vooral toen hij de volgende reuzenstap maakte: hij construeerde apparaatjes die de straling moesten versterken, zodat hij nog nauwkeuriger kon werken als hij de vrijwilliger percuteerde. Deze apparaten waren voorzien van een viertal knoppen met getallen erop, en zagen eruit als zwarte geheimzinnige doosjes. Dat wekte de razernij van zijn collega’s op, die dachten dat hij met magie bezig was. Het lukte Abrams overigens niet de vrijwilliger geheel door apparaten te vervangen.

Abrams noemde zijn nieuwe vorm van geneeskunde radionica.

In de dertiger jaren van de vorige eeuw was er een ingenieur in Oxford, George de la Warr, die de radionica opnieuw een grote stap verder voerde. In de voetsporen van het werk van Abrams construeerde hij een zwarte doos maar nu één die de deelname van een vrijwilliger overbodig maakte.

In de zwarte doos van De la Warr was een plaats waar het bloedmonster kon worden ingeschoven, er was een rubber membraan en in de latere uitvoeringen – zoals bijvoorbeeld de Mark 8 – waren er negen knoppen aan bevestigd. Die kon men draaien en ze zo getallen laten aanwijzen. Ook was er een reservoir voor geneesmiddelen, een draaimagneet om te harmoniseren met het kompas dat – in plaats van de vrijwilliger – naar het westen moest draaien en twee antennes waarmee men bepaalde te onderzoeken substanties kon aanraken.

Om met behulp van dit apparaat een diagnose te stellen, was een goedgetrainde ‘operator’ nodig. Die persoon begon met de vingertoppen van zijn rechter wijs- en middelvinger zachtjes over het membraan te strijken, van links naar rechts. Daarbij zocht hij met behulp van knopstanden naar het getal dat aanduidde welke ziekte de patiënt mogelijk kon ontwikkelen of al ontwikkeld had. Als de operator beet had gebeurde er iets bijzonders: dan werd het membraan ineens kleverig, waarschijnlijk door statische elektriciteit, en gaf een ratelend geluid af. Dat noemde de la Warr de ‘stick’.

De la Warrs vrouw, die zijn operator was, had samen met hem echt monnikenwerk verricht door bij elke ziekte het juiste getal te vinden. Ook bij elk orgaan had ze een ‘trillingsgetal’ gevonden – zo had de maag nummer 32. Het boek dat bij de Mark 8 hoorde had dan ook wel iets weg van een telefoongids.

De operator begon met wat bekend was, bijvoorbeeld het orgaan. Daarop zette hij eerst de knopstand. Van daaruit zocht hij verder. Eindelijk was de vrijwilliger door een goed werkend instrument vervangen.

Hoe de radionica verder werd ontwikkeld wordt met voorbeelden uit de praktijk beschreven. Hij eindigt het eerste hoofdstuk met:

Gezondheid kunt u voor een groot deel zelf opbouwen.
En als u dan in de nieuwe levensstijl een keer zondigt, geniet er dan van.
Ik hoop u doordrongen te hebben van het feit dat al zeer lang voordat er een ziekte als kanker uitbreekt, iets mis is met het terrein en dat we die afwijking kunnen meten met zeer vroege diagnostiek. Deze is daarmee ook een prachtig preventief middel, want de nieuwe methoden geven precies aan wat er mis is met het terrein.

De grote vraag echter, die nog steeds iedereen bezighoudt, luidt: wat is kanker nu precies?
Dankzij onze microscopische onderzoekingen weten we dat er op een bepaald moment ergens een enkele kankercel zich gaat vermenigvuldigen en als een op hol geslagen locomotief maar doordendert met zijn productie van nieuwe kankercellen. Laten we eens naar die kankercel gaan kijken.

In Hoofdstuk 2 stelt hij een ‘preventieve raad’ op in 35 punten, met praktijkvoorbeelden en adviezen voor een verantwoorde leefwijze.

Op pagina 240 lezen we ‘Hamers ijzeren regels’; Ryke Geert Hamer, de Duitse arts die in de huidige tijd nog vaak wordt genoemd.
(Zie ook video over de werkwijze van Hamer op deze website)

Hamers ijzeren regels

We moeten nu een merkwaardige man bespreken, die al eerder ter sprake kwam: Ryke Geerd Hamer, Duits arts.

Hamer sloeg een nieuwe bladzijde om in het kankerraadsel. Hij ontdekte dat er bij alle kankerpatiënten in hun hersenscan merkwaardige schaduwen te zien waren – en dat die schaduwen zich precies op die plekken bevonden die in de hersenen overeenkwamen met de gedeelten in het lichaam die de kanker herbergden – die door dat hersengebied geïnnerveerd werden. De schaduwen waren een gevolg van een andere elektrische polarisatie, dan die we in gezond hersenweefsel aantreffen.

Hamer ondervroeg zijn patiënten zeer nauwkeurig en ontdekte dat de ‘Hamerse Haarden’, zoals hij de schaduwen noemde, ontstaan waren op het moment dat de patiënt een ernstig emotioneel conflict had doorgemaakt. Hoe individueel een ‘emotioneel conflict’ bepaald is, blijkt uit het verhaal van de oude alleen wonende weduwe van wie de enige vreugde in haar wat eentonige bestaan haar kanarie was. Toen het vogeltje stierf, ontwikkelde ze kanker, en ze genas pas weer toen Hamer de familie ervan wist te overtuigen haar een nieuwe kanarie cadeau te doen. Een buitenstaander zou zeggen: ‘Een kanariepietje? Nou en?’ Maar voor haar was het een levensbelang.

Hamer ontdekte dat zich bij iedere kankerpatiënt een half tot anderhalf jaar vóór het uitbreken van de kanker een dergelijk emotioneel conflict had voorgedaan – daarbij waren de tijden voor elk soort conflict verschillend, dus voor de ene kanker een half jaar, de andere een jaar, enzovoort. Hij stelde toen op wat hij zelf de ‘IJzeren regels van kanker’ noemde.

  •  Er treedt een zwaar, peracuut en zeer bepaald emotioneel trauma op, dat tegelijkertijd de Hamerse Haard in de hersenen bepaalt en de beginnende kankergroei in het lichaam – als het hersengebied verkeerd gepolariseerd is, begint het meteen kankergroeibevorderende impulsen naar het ermee overeenstemmende lichaamsgebied te verzenden.
  • De aard van het conflict of trauma bepaalt de lokalisatie van de haard in de hersenen en de plek waar kanker ontstaat in het lichaam. Dit betekent dus dat men aan de lokalisatie van kanker kan bepalen welk soort conflict eraan ten grondslag ligt, en andersom: als men weet met wat voor een conflict iemand worstelt, welke kanker hij mogelijk aan het ontwikkelen is.
  • Het verloop van het conflict bepaalt de verdere gang van zaken met de kanker: de haard blijft actief en de kanker blijft woekeren, zolang het conflict niet wordt opgelost. Het conflict onderhoudt een sympathisch-dominante fase.
  • Als het conflict onder andere door psychotherapie wordt opgelost, begint de hersenhaard te genezen – maar eerst zwelt hij op door oedeem, omdat er veel bloedlichaampjes naartoe stromen om te helpen bij de opruiming. Dat is een gevaarlijke fase, niet alleen omdat die nogal wat klachten kan geven – zoals erge hoofdpijn – maar ook omdat de reguliere oncologen hem voor een hersenuitzaaiing aanzien, met alle gevolgen van dien. Daarna, als alles goed gaat en de haard oplost verdwijnt ook de kanker in het lichaam. Hamer probeert deze oplosfase, waarbij het lichaam in een parasympathisch stadium verkeert, te overbruggen met cortisonmedicatie. Cortison is een tweesnijdend zwaard: aan de ene kant remt het het immuunsysteem wat af – dat heeft men soms nodig bij een astma-aanval – aan de andere kant mag het immuunsysteem niet langdurig onderdrukt worden, want dan ontstaat het tegengestelde effect: men wordt gevoeliger voor infecties en kanker. In dit geval zet Hamer cortison in, omdat in tegenstelling tot bijvoorbeeld een bil of een buik, de hersenen goed verpakt zitten in een praktisch onbeweeglijke doos van bot. Uitzetting van een deel van de hersenen kan dus, als het te snel gaat, bloedvaten dichtdrukken en levensbedreigend zijn.

Ryke Geerd Hamer heeft een grote, zeer gedetailleerde kaart gemaakt waarin exact staat opgeschreven waar de haard in de hersenen zit, waar de kanker zich bevindt (welk deel van het lichaam door het hersengebied waar de haard zich bevindt wordt geïnnerveerd), en om welk conflict het handelt. In zijn boek Krebs – Krankheit der Seele[i], dat verlucht is met vele hersenfoto’s en hun ziektegeschiedenissen, doet hij alles precies uit de doeken.

Moolenburgh haalt Dr Servan Schreiber aan in zijn schrijven over de liefde:

Servan-Schreiber: liefde

David Servan-Schreiber, een oorspronkelijk uit Parijs afkomstige neuroloog en psychiater, werd op vrij jonge leeftijd getroffen door een hersentumor. Hij deed verslag over zijn ziekte – die ook na een aanvankelijk geslaagde operatie nog een keer terugkwam – in zijn boek: Antikanker. Een nieuwe levensstijl[ii]. Ik noem hem, omdat hij zich helemaal in het hippocratische gebied begeeft en een aantal uitspraken doet, die veel van wat ik in dit boek beschrijf bevestigen.

Zo haalt hij een statistiek aan waaruit blijkt dat vier factoren de overlevingskansen verbeteren:

  • Het voedingspatroon;
  • Ontgifting;
  • Lichamelijke beweging;
  • Emotionele vrede.

U herkent ze allemaal.

Ook stelt hij dat onderzoeken hebben uitgewezen, dat de immuuncellen beter vechten als:
 

  • we gezond eten;
  • de omgeving schoon is;
  • het hele lichaam actief is;
  • onze emotionele toestand positief is: vreugde en verbondenheid met andere mensen.

Zo langzamerhand bekende kost voor de lezer.

Servan-Schreiber vertelt dat al in 1759 door een arts geschreven werd dat kanker samengaat met rampen in het leven die veel smart en verdriet opleveren. Ook hij tracht een kankerkarakter te schetsen, dat ons alweer bekend voorkomt:

  • Aan kanker is meestal een voorval voorafgegaan dat een verschrikkelijk gevoel van onmacht heeft gegeven – waardoor de mensen het gevoel hebben hun leven niet meer in eigen hand te hebben.
  • De patiënten zijn vaak mensen die zich in hun jeugd – terecht of ten onrechte – niet helemaal welkom hebben gevoeld en daarom hebben besloten zich zo veel mogelijk te conformeren om echt aardige volwassenen te zijn.
  • Een van de aspecten van het leven van deze patiënten is dat ze overinvesteren in één enkel aspect van hun leven: hun baan, hun partner, of iets dergelijks. Servan-Schreiber wijst daarbij op gevoelens die niet worden geuit en dan een inwendig obstakel gaan vormen.

Ook hij wijst nadrukkelijk op die – ook al in dit boek vermelde – levenskracht, die in antieke medische werken de vis medicatrix naturae werd genoemd: de helende kracht van de natuur.

U vraagt u misschien af waarom ik Servan-Schreiber aanhaal terwijl we deze onderwerpen allemaal min of meer hebben besproken. Dat komt omdat Servan-Schreiber een specialist is, een zeer precies en wetenschappelijk man (wat ik geen van beiden ben). Hij staaft al zijn uitspraken met vele nauwkeurige onderzoeken, en laat bovendien de heilzame werking van de hippocratische geneeskunde op zijn eigen ziekteproces zien.

De hippocratische geneeskunde die niet erkend wordt door de machthebbende gepasteuriseerde geneeskunde, is voor een groot deel wel degelijk wetenschappelijk bewezen door onberispelijke wetenschappers, en heeft al eindeloos veel mensen echt genezen. Het is dan ook een beschamende situatie dat deze vorm van geneeskunde niet gelijkwaardig met de gepasteuriseerde aan de universiteit onderwezen wordt, en dat er binnen de gepasteuriseerde geneeskunde hoogstens schamper over wordt gesproken.

Zo herinner ik me dat ongeveer dertig jaar geleden een jonge blonde Noord-Hollandse, een mooie vrouw, bij mij komt omdat er net een knobbel uit haar borst gehaald die een kanker blijkt te zijn. Men wil haar meteen doorsturen naar het Antoni van Leeuwenhoek ziekenhuis voor uitgebreide bestralingen, maar ze weigert dat absoluut en komt bij mij om raad. Ook ik kan haar niet tot nabehandeling bewegen en dus zet ik een hippocratische aanpak in – maar helaas heeft ze al binnen twee maanden twee lelijke huiduitzaaiingen: één achter de oksel aan de geopereerde kant, en één in de nek aan de geopereerde kant. Dit zijn niet metastasen in het lymfekliergebied vlakbij de tumor, zoals bij borstkanker in de oksel, maar metastasen op afstand, en dat is altijd zeer ernstig wat de vooruitzichten betreft. Ik zet Nolvadex in, een anti-oestrogeen – een antivrouwelijk hormoon – en meteen beginnen de uitzaaiingen te slinken. Het is een hachelijke geschiedenis: ze is pas 28 en dan zijn die kankers vaak zeer agressief. Hoe jonger iemand is, hoe uitbundiger vaak de hormoonproductie. Jonge vrouwen maken veel oestrogenen, die daarvoor gevoelige kankers als borstkanker kunnen aanjagen, en kinderen hebben nog veel groeihormonen, die ook best door kankercellen kunnen worden gebruikt. Maar het gaat goed: de ene metastase verdwijnt helemaal, die in de flank slinkt tot een klein verlittekend knobbeltje.
Na drie jaar zegt ze: ‘Ik wil van de Nolvadex af, want we willen aan kinderen beginnen.’
Ik antwoord: ‘Mmm… het is wat vroeg. Laat eerst dat kleine knobbeltje er even uithalen, dan kijken we of er nog levende kankercellen inzitten.’
Ik spreek een en ander af met haar huisarts en die stuurt haar naar de chirurg door. Die kijkt de oude papieren na, schrijft een verwijzing voor het Antoni van Leeuwenhoek, en zegt: ‘Het is beter dat ze dat daar even doen.’ Hij geeft haar een gesloten brief mee om af te geven bij het ziekenhuis.
De vrouw maakt thuis de envelop open, en belt me direct woedend op: ‘Ik zei u al dat ik er niets voor voelde! Die chirurg schrijft in zijn brief: “Deze patiënte is destijds naar u verwezen en is ten onrechte naar de kwakzalver Moolenburgh toegelopen. Ik stuur haar nu alsnog voor bestraling.”’
De huisarts weet hier niets van.
Mijn patiënte briest: ‘Geen specialisten meer, ik blijf bij u!’
Zonder dat ze me ervan op de hoogte stelt, stopt ze met de Nolvadex en ze wordt snel zwanger. Ze krijgt twee prachtige dochters, die nu beiden al volwassen zijn.
Wat een leuk mens is dat toch – en wat goed dat een patiënt af en toe eigenwijs is, want volgens onderzoek blijven van de dwarsliggers de meesten in leven.
De vrouw blijft dertig jaar goed gezond, maar ik kreeg onlangs een telefoontje van haar dat ze een recidief kanker in de andere borst had gekregen. Sinds twee jaar staat er op tweehonderdvijftig meter van haar huis een C2000 zendmast. Het is bekend dat deze zendmasten na vijf jaar een verdubbeling en na tien jaar een verdrievoudiging van kanker geven, binnen een straal van vierhonderd meter. Gelukkig heeft ze er een bouwbioloog bijgehaald.
De houding van bovengenoemde chirurg floreert nog volop in Nederland, tegen alle bewijzen in.

Servan-Schreiber wijst erop dat chronische ontstekingen kankerbevorderend zijn. Dat is inderdaad een vrij algemene opvatting, maar zelf denk ik dat het een foutieve waarneming is. Ik denk dat een chronische ontsteking kan wijzen op een precancereus gebied, en dat de ontsteking een laatste poging van het lichaam is om de op de rand van de afgrond balancerende cellen door schone te vervangen. Opruimen van chronische ontstekingen is natuurlijk van groot belang, maar doe daarna vooral een vroege test om te bepalen of er een broeiende kanker achter zat: dan moet de levensstijl grondig worden aangepakt.

Antikanker van Servan-Schreiber is een ware vraagbaak over nuttige eetwijzen en kankergenezende kruiden – echt een juweeltje. Om een vraag uit zijn boek te ontlenen: wil ik u met al mijn aanprijzingen opvoeden tot kankerbehandelaar? Als u een precancerose of een tumor hebt, luidt het antwoord: ‘Ja, inderdaad, want de belangrijkste persoon die u bij de genezing helpt, bent u zelf.

Ik wil nog één ding uit het boek aanhalen, en dat is de snelle oplossing van emotionele trauma’s met behulp van oogbewegingen – de zogenaamde emdr (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) methode, van dr. Francine Shapiro. Bij deze methode zet de therapeut de patiënt ontspannen neer en vraagt hem om sterk aan de emotioneel zo schokkende gebeurtenis te denken. Vervolgens beweegt de therapeut een aantal maal zijn hand van rechts naar links voor de ogen van de patiënt, en vraagt deze alleen met de ogen zijn handbewegingen te volgen. Al vlamt de gebeurtenis soms eerst op – en komen de daarbij horende gevoelens los –deze methode blijkt bij tachtig procent van de patiënten positief te werken: de traumatische gebeurtenis wordt van zijn heftige gevoelens ontdaan. Vreemd maar waar. Heftige gevoelens met negatieve inhoud – dus gepaard gaande met paniek, angst, schrik e.d. – worden vaak verdrongen en liggen in de diepte te smeulen; dat betekent chronische stress, adrenaline-uitputting en entree in het kankerverwekkende terrein.
Ten slotte legt David Servan-Schreiber de nadruk op het toch vooral dankbaar zijn voor alle goede dingen van het leven. Daar sluit ik me graag bij aan.

Servan Schreiber artikel op wijwordenwakker: Instinct om te helen 
 

Dokter Moolenburgh schrijft in dit boek ook over Bach remedies die ingezet kunnen worden bij de behandeling van kanker.

Een bijzonder hoofdstuk is het deel waarin hij uitgebreid in gaat op onze voeding.
Hij schrijft met voorbeelden over ‘sterk licht bevattende voeding’, ‘minder lichtkracht bevattend voedsel’ en ‘voedsel zonder enige lichtkracht, dood voedsel’:


  • 1. Sterk licht bevattende voeding
  • Verse, rauwe, organisch verbouwde groente. Vers, rauw fruit.
  • Alle soorten noten behalve pinda’s (dat zijn geen noten, maar ondergronds groeiende erwten).
  • Levende zaden – bijvoorbeeld zelf gemalen organisch verbouwde tarwe als graanpapje elke morgen als onderdeel van muesli. Laat de gemalen zaden eerst een nacht wellen in water of karnemelk.
  • Sprouts: de beste zijn die u zelf laat spruiten als tarwegras, alfalfa of broccoli van de natuurvoedingswinkel. Ze zijn ook kant en klaar te krijgen, bijvoorbeeld brassicamix en broccolikiemen van de Peulenschil.
  • Ongeraffineerde koudgeperste oliën als virginale olijf- en lijnzaadolie. Eventueel teunisbloem- en borago-olie.
  • Weer levend gemaakte melk met goede bacteriën bereid: biogardeyoghurt, yornioyoghurt en acidophilus karnemelk.
  • Met melkzuur gefermenteerde eetwaren zoals zuurkool.
  • Vruchtensappen zijn het beste als u ze meteen na het persen opdrinkt. Sinaasappelsap bevat veel suiker en moet daarom nooit op de nuchtere maag worden gedronken, want dan veranderen de suikers in vetten.

Koop vooral biologische producten, want al is het wat duurder, u bespaart het ruim aan ziektekosten. Voeding uit de fabrieksmatige massaproductie, met gif bespoten en geteeld op door kunstmest uitgemergelde grond bevat weinig lichtkracht. Genetisch verkrachte voedingswaren zijn gewoon rotzooi. Weiger ze resoluut.

Dat er een groot verschil in lichtkracht is tussen organische en niet-organische groente kan men zien aan de Kirlianfotografie maar ook aan een fraaie proef van dr. Rudolf Hauschka, die prachtige geneesmiddelen produceerde. Hij perste de bloemen van de planten die hij wilde gebruiken, en liet het sap door een fijn rietje op filtreerpapier lopen. Dat papier was geïmpregneerd in metaalzouten: daardoor vormde de bloem zich in gestileerde vorm terug op het papier – althans, alleen de bloemen van organisch verbouwde planten, de rest bakte er niets van. Door de Hauschka-test kan men met eigen ogen zien dat niet-organisch verbouwde planten geen structuur maar chaos brengen – en wat is kanker anders dan weefselchaos?

Kirlianfoto van de uitstraling van een blad

Levend licht brengt dus harmonische structuren voort: dat is zelfs te zien aan het verschil tussen een aardappel die spruit in een halfdonkere kelder, en een aardappelplant op het land met zijn fraaie vorm. 

2. Minder lichtkracht bevattend voedsel

  • Gebakken brood.
  • Gekookte of geroerbakte groente. De groente bij voorkeur stomen: daardoor blijft 85% van de nutriënten bewaard – bij koken is dat slechts 50%.
  • Gestoofd fruit.

Deze bereidingswijzen verminderen de lichtkracht van voedsel, maar er zit nog wel wat in.

Er kan ook het volgende gebeuren: een vegetarisch dier – een koe of een geit – eet plantaardig voedsel op. Ik spreek niet over die stakkerige koeien die de hele zomer op stal staan en hooi en dierlijk krachtvoedsel te eten krijgen, maar over een gezonde koe in de wei die gras eet. Vooral het eerste gras is gezond, want daar zit een stof in die tandbederf tegenhoudt. Stel: u drinkt de rauwe melk van zo’n gezonde koe, of eet zijn kaas of kwark of boter. Dan zit u in de categorie twee, toch nog een hele goede. In biogardeyoghurt wordt die lichtkracht nog iets omhoog gekrikt door bacteriën waardoor die wel in de eerste categorie thuishoort. Dus:

  • Biologische melk, kaas, kwark en boter.

Maar aangezien rauwe melk verboden is, wordt die gepasteuriseerd – en die koken we dan meestal ook nog eens. Dan zakken we nog een etage lager. 

3. Voedsel met weinig lichtkracht

  • Hier zit dus de gepasteuriseerde melk die u ook nog eens kookt.
  • U hebt gezien dat de rauwe melk van de gras etende koe behoorlijk wat lichtkracht bevat, en dus zijn weefsels ook, maar nu gaat u een biefstuk eten.
  • Gebraden vlees van een vegetarisch dier is voor het grootste deel ontdaan van lichtkracht, dus eigenlijk zouden we een biefstuk moeten beschouwen als een lekkernij voor af en toe, niet als volwaardig voedsel. Zeker niet voor de gematigde vegetariër (de gematigde carnivoor kan er nog vrij veel uithalen).

Maar nu gaan we verder. Er is een roofdier dat een rund eet. Het rauwe vlees van het rund is van de tweede categorie, dus het door het roofdier verwerkte vlees maakt in dat dier vlees en melk van de derde categorie – maar ja, wie eet er nu een broodje leeuw, laat staan rauw, of drinkt er rauwe berenmelk, dit is dus onzinnig... Maar wacht even: wat verslinden wij Nederlanders massaal, daarbij slechts geklopt door de Duitsers? Varkensvlees! Een varken is alleseter, dus voor een belangrijk deel gebruikt en verbruikt hij de lichtkracht van de vegetarische dieren die hij te eten krijgt op de boerderij (hij grijpt ook graag ratten). Kijk maar naar zijn gedeeltelijke roofdierengebit. Zijn rauwe vlees is dus categorie 3, en aangezien we hem gebraden, gerookt of gekookt eten zakken we weer een etage.[iii]

4. Voedsel dat praktisch ontdaan is van lichtkracht

  • Gebraden of gekookt varkensvlees.

Dit is volstrekt onvolwaardig voedsel zoals de Joden en de Arabieren al drieduizend jaar weten. Toen de Denen in de Eerste Wereldoorlog geen varkensvlees meer aten, ging de kankersterfte dramatisch omlaag.
U vraagt u misschien af hoe een roofdier aan genoeg lichtkracht komt. Nu, net aan. Ten eerste ligt het een groot deel van de dag te slapen en zelfs de hardste renner van de wereld, de cheeta, kan zijn run maar kort volhouden. De roofdieren zijn niets vergeleken met de grote grazers wat betreft hun fabuleuze uithoudingsvermogen. Maar in de tweede plaats: wat eet een roofdier het eerste als hij zijn prooi heeft geslagen? De darm plus de gedeeltelijk verteerde plantaardige kost. Daar haalt hij het licht en dus het leven vandaan. 

Het rijtje met de vier categorieën dat u hier gelezen hebt, is in het begin van de twintigste eeuw gevonden door de grote Zwitserse natuurkundige Maximilian Bircher Benner en zijn schema heb ik nog nooit overtroffen gezien.). Hij heeft één categorie niet genoemd, want die was er toen nog niet. Het absolute dieptepunt in voedseldenaturering: de zuivere fabrieksvoeding die ons zoveel beschavingsziekten heeft opgeleverd.

5. Voedsel zonder enige lichtkracht: dood voedsel

  • Geharde vetten. Margarine! De zogenaamde transvetten dus – die zijn puur giftig voor het hele bloedvatsysteem.
  • Geraffineerde suiker. Volgens wetenschapper John Yudkin, die er een boek over schreef: puur, wit en dodelijk.[iv]
  • Wit totaal uitgemalen brood. De grootste voedingswaarde zit namelijk in de kiem die als varkensvoer wordt gebruikt.
  • Totaal nepvoedsel, voor een belangrijk deel giftig: kunstmatige kleur- en smaakstoffen, die zoveel gedragsstoringen bij kinderen geven. Aspartaam is een van de gemeenste en kan ms-achtige beelden veroorzaken.

Deze vijfde categorie voedsel – met voor de fabrikant winstgevend lange plankwaarde waar de supermarkten vol mee staat – verpakt in blikjes, flesjes en pakjes, doet denken aan de kolderieke film van Louis de Funès, L’Aile ou la Cuisse, waarin een fabrikant kunststof vissengraten laat bespuiten met synthetisch bereide prut, die stolt tot namaakvis, die met een kleurstof lekker roze is gemaakt en die is voorzien van kunstmatige vissmaak – en die vervolgens duur wordt opgediend.

 

 Omslag

We lezen op de achterzijde van het boek:

‘De reden voor het succes van Moolenburgh ligt ongetwijfeld in zijn vermogen om alle gebieden van het leven – het fysieke, geestelijke en emotionele - met elkaar te verbinden. Hij formuleert helder en weet complexe onderwerpen van ziekte en gezondheid begrijpelijk te maken.

 Bestellen:
H. C. Moolenburgh sr. – U kunt meer dan u denkt:
Aanvullende maatregelen om kanker te helpen voorkomen en genezen –
Lemniscaat    
ISBN: 9789047703327
Prijs: € 25,00 – Gebonden, 332 pagina’s

[i] Ryke Geerd Hamer, Krebs - Krankheit der Seele. Kurzschluss im Gehirn, dem Computer unseres Organismus. Die Eiserne Regel des Krebses. Amici di Dirk Verlag. isbn: 9783926755018.

[ii] David Servan-Schreiber, Antikanker. Een nieuwe levensstijl. Kosmos, 2008. isbn 9789021511009. Vertaling van: Anticancer. Prévenir et lutter grâce à nos défenses naturelles. Paris: Laffont, 2007. Meest recente uitgave: Pocket, 2009. isbn: 978-2266183321.

[iii] Uit het boek Moderne wetenschap in de Bijbel van Ben Hobrink (Gideon, 2010. isbn: 9789060679012) blijkt dat deze principes al drieduizend jaar geleden bekend waren.

[iv] John Yudkin, Pure, White and Deadly: The Problem of Sugar. David-Poynter Ltd, 1972. isbn: 9780706700565

Achterflaptekst: 

Hans C. Moolenburgh sr., een van Nederlands meest vooraanstaande artsen op het gebied van complementaire kankerbehandeling, verzamelt in ‘U kunt meer dan u denkt’, alle kennis die hij in meer dan vijftig jaar praktijkervaring heeft opgedaan.
Moolenburgh sr. (1925) had ruim 50 jaar een artsenpraktijk en specialiseerde zich in de behandeling van kankerpatiënten en van kinderen met vaccinatiebeschadigingen en overgevoeligheden voor voedsel en kunstmatige kleur- en smaakstoffen.

Zijn missie: mensen helpen zichzelf beter te maken. Hans Moolenburgh werkt regulier én alternatief, hij onderzoekt behandelingswijzen op hun verdiensten, maar altijd vaart hij zijn eigen koers. Praktisch en helder verwoord. ‘Ik streef ernaar de omstandigheden zo te maken, dat de eigen genezing van mijn patiënten op gang komt. Dat vind ik schitterend!’

Hans Moolenburgh krijgt feitelijk té weinig aandacht voor zijn visie en de toewijding én het succes, waarmee hij mensen heeft geholpen om ziekten te overwinnen en gezond te blijven.

De reden voor het succes van Moolenburgh ligt ongetwijfeld in zijn vermogen om alle gebieden van het leven – het fysieke, geestelijke en emotionele – met elkaar te verbinden. Zijn eigen leven is daarvan een voorbeeld; hij is bloedserieus en bevlogen, maar barst net zo makkelijk uit in aanstekelijke lachsalvo’s. Hij is vriendelijk en invoelend, maar ook bereid om vertegenwoordigers van onzinnige vitaminepreparaten op de pijnbank te leggen. Het is duidelijk, dat hij is gewend om in het openbaar te spreken. Hij formuleert helder en weet complexe onderwerpen van ziekte en gezondheid begrijpelijk te maken. Hans Moolenburgh schrijft regelmatig boeken over de onderwerpen die hem aan het hart liggen.

Eerder publiceerde hij onder andere ‘Ziekte als lot en kans’, ‘Fluor? Liever niet!’ en ‘Op je gezondheid’. Nog steeds wordt Moolenburgh internationaal geroemd en om raad gevraagd met betrekking tot onderwerpen als de gevaren van fluoridering, de gevolgen van vaccinaties en complementaire kankertherapieën.

Het nieuwe boek van Moolenburgh heet dus: ‘U kunt meer dan u denkt’.
Het boek is bestemd voor mensen die willen begrijpen wat kanker nu eigenlijk is en waarom de ziekte juist in deze tijd zo sterk opkomt. En het is ook bedoeld om diegenen die geliefden tegen kanker zien vechten of die de ziekte zelf onder de leden hebben, een hart onder de riem te steken: u kunt meer dan u denkt!

Aanbevelingen van collega-artsen:

‘Dokter Moolenburgh stelt klip en klaar vast dat de reguliere en complementaire geneeskunde elkaar niet uitsluiten, maar aanvullen. In de USA bestaat al lange tijd het specialisme Nutritional Oncology. In dit specialisme wordt de behandeling van patiënten met kanker ondersteund met voedingsstoffen, met als belangrijkste doel de genezing te bevorderen, recidieven te voorkomen en de levensduur te verlengen.
En om dit doel te bereiken worden jaarlijks in oncologische centra studies uitgevoerd om de positieve effecten van voedingsstoffen in kaart te brengen. Gelet op de resultaten van deze studies zouden alle oncologen in Nederland het boek van dokter Moolenburgh moeten lezen.’
Dr. H.C. van Prooijen, arts

‘Moolenburgh is (…) een voorloper van onze tijd waarin weer meer aandacht komt voor leefstijl, gezonde voeding, emotionele en spirituele balans. Aandacht en tijd voor een patiënt met een fysiek, emotioneel en spiritueel ‘lichaam’. In dialoog met de patiënt naar balans.’
– Dr. Věra M.J. Novotný, internist-hematoloog