Het land van de Boeloeboeloes en de Wadawadas

Je acht het niet voor mogelijk maar de aarde is nog groter dan we dachten.

Zeer ten zuiden van Bala Bala, daar waar de wouden vrijwel oneindig lijken, lag nog steeds een rijkje dat zich te midden van het woeste oerwoudgroen , achter een ondoordringbare grens van lianen, had weten overeind te houden, wars van alle beschaving. Niettegenstaande het volk er dezelfde taal sprak en dezelfde liederen zong, was er iets dat het grondig verdeelde.

De dorpen waren zo ongeveer gebouwd zoals wij die nu kennen, en helemaal in het midden stond daar telkens weer een gemeenschappelijke hut , de hut van de grote tovenaar. Welnu: de grote tovenaar in meestal elk van de dorpen kon genezen. En niemand kon een ziekte zo gek bedenken of zelfs verzinnen, maar meestal kon hij ze allemaal genezen. De bevolking fluisterde dat hij bovendien wetenschappelijk gevormd zou geweest zijn, wat dat toen ook mocht betekenen. In andere dorpen dan weer koos de bevolking iemand van het andere geslacht als tovenares, niet omdat ze zichzelf stoer op de borst (of het meervoud ervan) kon slaan bij een behandeling van zelfs verzonnen ziekten, maar omdat ze niet eens hoefde te genezen wat niet bestond. Iets wat wel een praktisch voordeel blijkt te zijn wanneer je minder zogezegd wetenschappelijk de geest laat vernauwen (of verruimen, zoals dat in die kringen heet) door zich in de duistere nevels te hullen van een moderne tovenarij.

En zo kwam het dat zij die aan vele ziekten lijden en die levenslang door de grote tovenaar, tot verslavend toe, moesten geholpen worden, BoeloeBoeloe's werden genoemd en zij die fitter bleven door een nuchter stamhoofd met meer praktische mensenkennis de WadaWada's werden genoemd.
Die grote stamhoofden bestuurden dan het rijkje en vanzelfsprekend konden geen twisten uitblijven, wanneer in de hutten over ziekten soms hevig werd gepalaverd. Tijdens hun bestuursperiodes poogden elk van de tovenaars, kruidenmannen of vrouwen, slangenbezweerders of algemene zedenmeesters te vormen of te benoemen in de verschillende districten. Maar de twistappel die het volk verdeelde en tweedracht zaaide, raakte maar niet van de baan. Immers de BoeloeBoeloe's waren intussen een welvarend volk geworden omdat de tovenarij goed verdiende door de opkomst van verzonnen ziekten en de winstgevende kruidenmengsels, waarvan bovendien niemand hoefde te weten hoe ze werken, maar die heimelijk door hun bijwerkingen nieuwe ziekten teweeg brachten.

De WadasWada's daarentegen bleven het voorwerp van spot, niet alleen omdat het volk veel minder ziek was, waardoor de stamhoofden zich minder konden verrijken, maar omdat die bevolking, gezond zijnde geschapen, daardoor harder moest werken en niet kon terugvallen op welvarende ziekte-uitkeringen.
"Zie hen, zie hen", zo klonk het droevig bij de WadaWada's, "zij verdienen meer dan wij en werken minder!".
Zij kloegen en rond smeulende vuren bleven zij urenlang onder elkaar palaveren. En terwijl zij aldus spraken en kreunden zagen zij de zon ondergaan en de maan nederdalen en nog hielden zij niet op.

De knotsen werden weer afgestoft en de speren bijgeslepen.

Tot het ogenblik eraan kwam dat de bevolking uiteindelijk een keuze wilde maken, wie men nu met de lianen van het bewind en de toenmalige waardigheid van een primitieve medische wetenschap zou sieren. Uiteindelijk werd besloten om de iconen van de tovenarij te samen te brengen in een debat, waarbij men de ontstane tweedracht wou uitklaren ten overstaan van een wanhopige bevolking. Maar zoals dat ook gaat in onze maatschappij, mag zo een debat niets wezenlijks veranderen aan de intussen ontstane maatschappelijke structuren.

De rijke BoeloeBoeloe-tovenaar ontpopt zich bovendien als een geslepen slijmbal, die zelfs gebakken lucht aan de onderdanen kan verkopen, om aldus geen diagnosecriteria te hoeven kenbaar te maken en om nog minder te verklappen hoe zijn giftige maar wonderbare kruidenmengsels iatrogeen (modern taalgebruik, terwille van dit verhaal) nieuwe ziekten tot stand brengen.



De arme WadaWada-tovenares zal met beide voeten op de grond, proberen uit te leggen waarom een ziekte of ziekten, die niet eens bestaan, dan ook niet hoeven genezen te worden. Maar dat haar bevolking gelukkig niet geteisterd wordt door de vreselijke erfelijk gewaande aandoeningen van bij de BoeloeBoeloe's.

Geconcludeerd zal worden dat beide tovenaren hun bevolking blijven leiden, omdat ze per slot van rekening in het ene geval niet hoeven genezen te worden van ziekten die niet bestaan en in het andere geval niet hoeven te weten dat verzonnen ziekten niet bestaan, maar met vakkundig geslijm aan de man kunnen gebracht gebracht worden en kunnen behandeld worden met mengsels die wel echte aandoeningen veroorzaken en daarmee een welvarende ziekte-industrie tot stand brengen.

Op die manier leven zowel de BoeloeBoeloe's als de WadaWada's nog lang en gelukkig in een rijkje toch helemaal niet zo ver in oneindige wouden, en niet te midden van het woeste oerwoudgroen en nog minder achter een ondoordringbare grens van lianen.

 

Apotheker Fernand Haesbrouck, 5 november 2012.
Nieuwsbrief van  http://www.haesbrouck.be/