Gentech vergroot ongelijkheid


Grootschalige productiewijze bedreiging voor de lokale landbouw

Genetisch gemodificeerde gewassen zijn een gevaar voor de gezondheid en biodiversiteit. Laat ze daarom niet toe in Europa, betoogt Hein-Anton van der Heijden.

De mondiale stijging van de voedselprijzen en de daaruit voortvloeiende voedselcrisis heeft de toepassing van gentechnologie in de landbouw opnieuw hoog op de politieke agenda gebracht.

De Wereldvoedselorganisatie FAO, het Europese Parlement en, in Nederland, landbouwminister Gerda Verburg (CDA): besluitvormers op elk politiek niveau zijn plotseling weer hevig geïnteresseerd in het onderwerp dat een decennium geleden voor zoveel politieke en maatschappelijke onrust zorgde.

Onlangs kondigde Monsanto – het Amerikaanse bedrijf dat in zijn eentje meer dan 90 procent van de mondiale verkoop van gentechzaden voor zijn rekening neemt – een nieuw doel aan voor de lange termijn: een verdubbeling van de opbrengst van graan, sojabonen en katoen in het jaar 2030 door de ontwikkeling van nieuwe zaden, waarvoor tegelijk 30 procent minder water, grond en energie nodig zou zijn.

De Europese Unie aan de andere kant blijft zich terughoudend opstellen, maar de druk van de gentechindustrie neemt inmiddels toe. Zijn gentechgewassen inderdaad een middel in de strijd tegen armoede, honger, en zelfs klimaatverandering, zoals de voorstanders betogen? Heeft gentech dan ten onrechte een slecht imago?

Er zijn vijf argumenten tegen het gebruik van gentechvoedsel:

  • Een niet gerechtvaardigd ‘technologisch vooruitgangsoptimisme’
  • Gezondheidsrisico’s
  • Bedreiging van de biodiversiteit
  • Ondermijning van de specifieke West-Europese voedingscultuur
  • De vrees voor een te grote macht van transnationale ondernemingen en de daaruit voortvloeiende vergroting van de mondiale ongelijkheid

Technologisch vooruitgangsoptimisme gaat uit van de gedachte dat met behulp van technologie voor bijna alle maatschappelijke problemen wel een oplossing kan worden gevonden. De aankondiging van Monsanto om vóór het jaar 2030 een aantal nieuwe zaden te ontwikkelen waarvoor 30 procent minder water, grond en energie nodig is, laat zien wat er technologisch mogelijk zou zijn.

Het gaat hier echter goeddeels om onbewezen vooronderstellingen en wishful thinking. De huidige generatie genetisch gemodificeerde gewassen levert geen hogere opbrengst op dan conventioneel geteelde gewassen, zo blijkt uit onderzoek. Soja van het ras Round-up Ready bijvoorbeeld, het meest geteelde gentechgewas, leidt tot een oogst die 5 tot 10 procent lager is dan die van conventionele sojasoorten.
Een ander bezwaar heeft te maken met de gezondheidsrisico’s. Volgens de Amerikaanse Food and Drugs Administration (FDA) en haar Europese tegenhanger, de European Food Safety Authority (EFSA) is niet aangetoond dat gentechproducten schadelijk zijn voor de gezondheid.

Maar tegenstanders hebben de wijze van risicobeoordeling van deze twee instanties op verschillende gronden bekritiseerd. Zo worden de risico’s van gentechproducten voor consumenten op de langere termijn stelselmatig buiten de beoordeling gehouden: de langste testperiode is 90 dagen. Ook kunnen deze producten allergische reacties veroorzaken. En ten slotte wordt er bij de risicobeoordeling geen rekening gehouden met het feit dat giftige afvalstoffen van gentechgewassen via de bodem en het water in de voedselketen terecht kunnen komen.

Genetisch gemodificeerde gewassen, zo luidt het derde bezwaar, vormen ook een bedreiging voor de biodiversiteit. Niet alleen hebben zij een negatieve invloed op de overlevingskansen van bepaalde vlindersoorten en van nuttige insecten, het toxische restafval komt ook terecht in het water en de bodem, waardoor complete ecosystemen worden aangetast.

Een bezwaar van een heel andere orde heeft te maken met de cultuur van landen; met de fundamenteel verschillende manier waarop in de Verenigde Staten en Europa over voedsel wordt gedacht.

Voor veel Amerikanen verschilt voedsel niet wezenlijk van andere consumptieartikelen. Voor hen is de ‘natuurlijkheid’ van voedsel nauwelijks een thema. Veel Europeanen daarentegen hechten een diepere betekenis aan eten en voedsel. In veel Europese landen zijn de nationale en regionale keukens een bron van trots; zij maken deel uit van de geschiedenis, de cultuur en de identiteit van een land of een regio.

Het laatste bezwaar tegen gentechgewassen gaat om de vraag wie er uiteindelijk beslist over de aard van het voedselaanbod in de wereld: individuele burgers, of grote bedrijven als Monsanto en Syngenta. Gentechgewassen maken dat boeren steeds afhankelijker worden van deze bedrijven. Dat heeft te maken met de hoge ontwikkelingskosten die moeten worden terugverdiend, met het bezit van patenten en intellectuele eigendomsrechten. De niet ongerechtvaardigde angst is dat de grote zaaigoedproducenten steeds machtiger worden, en dat de politiek steeds meer het nakijken heeft.

Genetisch gemodificeerde soja en mais worden in Argentinië en Brazilië voornamelijk geteeld voor de export naar rijke landen, vooral om daar te dienen als veevoer. Zij zijn geen oplossing voor de honger en de armoede op het Latijns-Amerikaanse platteland. Integendeel: door de grootschalige, agro-industriële productiewijze zijn zij een rechtstreekse bedreiging voor de lokale landbouw. Ook veroorzaken de onkruid- en insectenbestrijdingsmiddelen een aanzienlijke stijging van het aantal gevallen van kanker.

Gentechgewassen impliceren niet alleen gezondheidsrisico’s, gevaren voor de biodiversiteit en de dreiging van culturele vervlakking; zij leiden ook tot meer economische ongelijkheid, zowel in Europa als mondiaal. Zij dragen niet bij aan de oplossing van de wereldvoedselcrisis. Om al deze redenen moet de huidige, relatief strenge, Europese regelgeving gehandhaafd blijven.




Auteur: © Hein-Anton van der Heijden.
H van der Heijden is docent politicologie aan de Universiteit van Amsterdam.


Met dank aan: NRC Handelsblad  27 augustus 2008