Hommage aan Hendrik Marsman

Rondzingen van de tijd – deel 3


 Laat éen ster, een onaanzienlijk teken
flonkren boven de rampzaligheid
en opnieuw geloven wij in streken
voorbij ’t moeras van dezen lagen tijd.
 
(Uit: Dies Irae, 1936-1937)

De tijd dreunt en kreunt van onbehagen. De tijd stokt, hikt en verslikt zich met horten en stoten, en tikt vervolgens weer rustig door, mechanisch, alsof er niets was voorgevallen binnen haarzelve. De tijd kijkt schroomvallig om zich heen, vraagt zich stilletjes en ietwat  mismoedigd af of niemand het in de gaten heeft, dat alles buiten de orde plaats lijkt te vinden, dat mensenklokken steeds verder asynchroon lopen en alle zaken te vroeg of te laat maar nooit meer op de juiste tijd en plaats geschieden, de innerlijke klok van kosmos en eigen hart zelden nog wordt gehoord, laat staan warm ontvangen en moedig nagevolgd. Onbegrip tiert welig en avijja (onwetendheid) is tot koning gekroond nu de mens zelfs niet meer beseft wat hem ontstolen is, wat hij tekort komt. In domme plicht doorploegt hij de dag, de tijd kromgebogen en in monotone stukken gehakt van arbeid en ‘vrije’ tijd. De liefde vervluchtigd, de wijsheid zijner visie zo plat als een lcd-scherm, de ogen schichtig maar innerlijk dof.

Niet alleen de Purana’s, - onderdeel van de Veda’s, de oudste boeken der mensheid -, gaven een in wezen vernietigend commentaar en visionair uitzicht op de huidige tijd, ook vele jongere geesten zoals bijvoorbeeld Beaudelaire, Ortega y Gasset, Martin Heidegger of Michel Houllebecq getuigden van een heldere en vooruitziende blik. De ontwikkelingen zijn niet nieuw, en ook niet helemaal onverwacht voor menig gevoelig mens, - hoewel niets of niemand ooit met zekerheid kan beweren hoe het draaiboek van de toekomst exact zal verlopen, aangezien zij in het heden wordt geschreven en nergens anders dan hier, ter plekke gestalte krijgt. Ieder hervonden inzicht, ieder helder opflikkeren van de geest kan een nieuwe fysische ruimte openen waarin alles anders is. De toekomst ligt open, hoewel een vlies waarop veel geschreven staat en daarmee voorspelbaar, blijft zij een mysterie waarbinnen alles mogelijk is, direct, vanaf ieder moment waarop de mens zich weet te verenigen en herenigen met zichzelf, met elkaar en met zijn bron.

Als geen ander wist Hendrik Marsman, den groten dichter van eigen bodem, met veel verve en met nog veel grotere trefzekerheid van woorden de situatie en ontwikkelingen van mens en planeet, wereld en bewustzijn te formuleren, vorm te geven als een soeverein kunstenaar. Een stemgeluid uit 1932, gericht aan ‘den lezer van nu’:

“(…) de gedachte, dat de ruimte, het hele heelal, op het ogenblik dat ik dit schrijf in een gelukkig zeer stille kamer, trilt van den dreun, die op duizend stations door tienduizend exemplaren van het genus mens den aether wordt ingeblazen, is in staat mij voorgoed den lust te benemen naar buiten te gaan, want de oneindigheid zoemt. De wereld is een benauwde kamer geworden, de natuur overweldigd, de elementen getemd en grotendeels is wat eens onze aarde was, onze woeste prachtige aarde, gepolijst tot een stadspark en gemechaniseerd tot een speeltuin.
(…)
Men doet goed daartegenover te bedenken dat met iedere technische verovering, met de ontcijfering van ieder raadsel, de natuur zich verweert met tien nieuwe ontembaarheden en met tien nieuwe raadsels. De vermechanisering des levens is, zo beschouwd, niet veel meer dan een angstige frase en een ongeloof in de onbedwingbare oerkracht van het leven zelf. Of meent men dat er geen innig verband bestaat tussen de enorme technische prestaties van den lateren tijd en de even enorme natuurlijke catastrophen van dienzelfden tijd: aardschokken, overstromingen en tornado’s? Neen, de elementen hebben van hun oerkracht niets ingeboet, de oerwouden zijn nog niet alle vermalen tot krantenpapier, de Zuidzee is nog niet geheel drooggelegd en er is zelfs, op zichzelf beschouwt, evenveel reden om zich te verheugen over het kunnen, de durf, de inventie, die spreekt uit de miraculeuze prestaties der moderne techniek, als reden tot vrees. Ik bedoel nog niet enkel de vrees voor de moorddadige toepassingen die de technische vindingen zullen krijgen in den volgenden oorlog, maar vooral deze diepere vrees, dat de mens de slaaf wordt in plaats van de heerser van zijn technische schepping; en de slaaf wordt hij op het moment dat hij de electrificatie van de spoorlijn Marseille-Parijs, of het instellen van den luchtdienst tussen de aarde en Mars, verbijsterender gaat vinden dan de slag van het eigen hart. De stomme, letterlijk stomme verbazing voor het technische kunnen vervangt dan de verwondering om het organische zijn; en als het een verrukkelijk raadsel moet heten hoe de mens leerde vliegen, het is een even verbijsterend raadsel dat en hoe hij leeft. Laten wij niet gering denken over de ontzettingen die een toekomstige technische oorlog ons brengen zal noch over het feit, dat de mensen door gas, en hun steden, Moscou, Londen, Parijs, en alle schatten ter wereld, de musea, de Staalmeesters, de Mona Lisa, de stations, de mijnen, de kathedralen, de bossen, zullen worden verwoest door de springstof die neerregent uit een gepantserde luchtvloot. Maar men kan zich misschien over deze gedachte heenzetten met de andere gedachte, dat het leven altijd sterker is gebleken dan de mens en dat ook daarna de mens zal doorleven op zijn geteisterde aarde. De vraag is dan enkel: hoe is dan de mens en de vraag is ook nu: hoe is de tegenwoordige mens; en in het verband dat ons bezighoudt, zal men helaas moeten zeggen: niet meer bestand tegen zijn eigen schepping. Losgewoeld uit zijn natuurlijke aarde, onttrokken aan een bovennatuurlijk geloof, vervreemd van de geestelijke en natuurlijke orde ener gemeenschap, vervreemd van zijn ras, van zijn volk, dwaalt hij rond door het labyrinth der schepping, het labyrinth der techniek – maar misschien is ook hij, deze twintigste-eeuwer, nog niet volkomen vergeten, dat de wind den gonzenden adem van de milliarden loudspeakers kan wegvegen uit het heelal met éen zuiverende vlaag en dat op een herfstmorgen langs een landweg de zon in het water kan blinken als eens in den eersten tuin. De aarde draait door, ook na de ontzettendste catastrophen en de mens leeft verder, de sterren schijnen en het water stroomt.

Pas dan is de zaak van den mens op aarde voorgoed verloren als hij niet meer weet dat de winde wiegt in de duinhelm, dat zijn bloed stroomt, dat de dood een gevecht zal worden op leven en dood. Deze eenvoudige waarheid is echter in staat om op dit moment der geschiedenis verbazing te wekken, twijfel of tegenspraak; en precies daar begint de verdwazing, want deze reactie verraadt, dat de geest te uitsluitend gedacht wordt als product van de stof; dat de mens geknecht wordt door zijn eigen technische schepping en de schepping waarvan hij-zelf deel is, vergeet; en intussen dromen de priesters der zakelijkheid den afgodischen droom van het Ene Hotel van Glas en Beton, dat de landoppervlakte der aarde, de vijf continenten, als een harnas omsluiten zal.”

 (Uit: H.Marsman, Critisch Proza, Bij wijze van inleiding, 1932)



© Wido Blokland, 2011
www.opklimmen-in-bewustzijn.nl