Informatie en kennis

Rondzingen van de tijd – deel 2



Ik geloof dat de toekomst slechts het terugkerende verleden is dat we door een
andere poort betreden.

(Arthur Wing Pinero, 1855-1934, toneelschrijver)

Informatie overload  

Met het online plaatsen van 64 miljoen artikelen van ‘foute’ kranten uit de periode 1940-45 door de Koninklijke Bibliotheek, of met het vrijgeven van 240.000 geheime documenten over de Irak-oorlog door Wikileaks neemt het weten in werkelijkheid niet toe, maar eerder af. De toename van kennis (als daar al sprake van is) of de toename van informatie-bronnen (wat iets anders is dan de toename van kennis) resulteren in werkelijkheid niet zelden in een afname van weten.

Dit is geen pleidooi voor herstel van censuur, zoals waar het ministerie van Justitie nu feitelijk mee bezig is ten aanzien van genoemd voornemen van de Koninklijke Bibliotheek om 64 miljoen artikelen on-line te plaatsen. Ook vormt het geen betoog tegen Assange, maar een beschouwing over de tijd en cultuur waarin wij leven. Een tijd waarin de tijd zelf steeds verder teruggedrongen wordt tot er helemaal geen tijd meer ‘over’ blijft, en, een ‘cultuur’ die overal dreigt met afschaffing maar daarmee vooral zichzelf dreigt te vernietigen, want als cultuur eenmaal overbodig is geworden in de geest van de mens dan heeft ‘de cultuur’ - en daarmee de mens - uiteindelijk zichzelf overbodig verklaard. Met etiketteringen van kunst als 'linkse hobby', laat de cultuur dan ook in werkelijkheid vooral zichzelf links liggen.

Luidt de conclusie van mediatheoreticus Geert Loving in NRC (11-12-2010) naar aanleiding van de kwantitatieve en kwalitatieve informatie overload waarin de wereld dreigt te verdrinken nog: 'het interpreteren en analyseren van deze gigantische hoeveelheid data en links is een collectieve uitdaging', mij klinkt dit understatement even dwaas en ongeloofwaardig in de oren als de zoveelste hernieuwde kabinetspoging om fileprobleem dan wel begrotingstekort alsnog op te willen lossen. Wanneer gaan wij de realiteit nu eindelijk eens onder ogen zien? 
 

Zij die spreken, weten niet.
Zij die weten, spreken niet

(Lao Tse)

Zij die het minste weten, praten het meest; en wanneer degenen die nog niet rijp zijn […],
gaan zij [er] met iedereen [over] praten.
En dan gaan zij gewoonlijk een boek schrijven over hun onjuiste opvattingen.

(Inayat Khan *1)

Kennis is hoe dan ook zeer nuttig, en heeft ten ene male bewezen dienstbaar te zijn aan het leven. Hoewel de toegang tot kennis en informatie welke onze tijd kenmerkt op veel fronten als een grote rijkdom beschouwd mag worden, is zoiets als ‘weten’ op geen enkele wijze gerelelateerd aan het begrip kennis. Weten is in een aantal gevallen te beschouwen als sublimatie of transformatie ten gevolge van het verwerken en daarmee overstijgen van een hoeveelheid kennis, maar kennis en informatie hebben geen noemenswaardige betekenis op zichzelf, wanneer zij niet tevens bijdragen aan het wezenlijker proces van weten, afgezien natuurlijk van de praktische waarde van kennis, wanneer het bijvoorbeeld gaat om de functionele toepassing daarvan in het dagelijkse leven, zoals bijv. kennis hebben van koken nuttig is om een smakelijke maaltijd te kunnen bereiden.
 
Weten heeft echter niets met wat voor functionaliteit dan ook uit te staan. Weten is ‘a-functioneel’, dient uitsluitend het individu dat ‘weet’, precies omdat het op zichzelf staat en altijd de totaliteit betreft. Iets wat als totaal te benoemen is, staat niet in (een functionele) relatie tot iets anders, want het omvat reeds alle relaties binnen zichzelf als totaliteit. Ware het al moeilijk om als onwetend mens telkens weer opnieuw tot een zekere mate van weten te kunnen geraken, want ‘weten’ is een levend iets, niet iets wat je terug op kunt slaan, zoals kennis uit een encyclopedie, - de moesson van informatiedruppels die zich onafgebroken over de mens uitstort doet hem ‘overlopen’ van kennis en kennis-mogelijkheden, maar brengt daarmee nog geen levende stroom van inzicht op gang.
 

De zee is stilte en spreken is als de rivier.
De zee is naar jou op zoek, zoek jij niet de rivier.
Wend je niet af van de tekenen
die door de zee worden aangedragen.

(Rumi, Masnavî IV:2062-2063)

Kranten staan er om bekend het gevoel op te kunnen roepen geen greep op de werkelijkheid te verschaffen, omdat alleen geïsoleerde fragmenten en geen verbanden worden gepresenteerd. Uit een krant welt onomstotelijk het licht agiterende gevoel omhoog tijd tekort te komen om die enorme berg schijnbaar relevante, slordig voorgesorteerde informatie ergens in jezelf te kunnen verwerken. Vluchtig wat koppen scannen komt aan dat wanhoopsgevoel weer een beetje tegemoet; je hebt daarmee in ieder geval snel de essentie te ‘pakken’. Maar deze suggestie is natuurlijk een illusie, want de snelheid van kennis, berichtgeving, kennisverwerving, kennisaanwas en kennisopslag, staan allen tezamen in een omgekeerd evenredige verhouding tot de vertraging welke noodzaak en voorwaarde is om tot echt ‘weten’ te geraken. 
 

De pas vertragen en iedere seconde iedere ademhaling proeven,
dat is genoeg.

(Thich Nhat Hanh)

Consummatum est

Kennis en informatie zijn al heel lang verworden tot consumptieartikelen. Kranten melden open en bloot dat de nieuwskeuzes die zij presenteren door de consument worden bepaald. “Kranten, bladen en omroepen bedienen de lezers”, zo heet het in eufemistische termen.*2) Er wordt niet bij verteld dat zij zelf vooraf eerst bepalen waarmee de klant bediend wil worden. De klant moet het gevoel hebben iets te willen. Is eenmaal duidelijk wat hij wil, dan wordt hij op zijn wenken bediend. Blijkbaar heeft de consument er volgens de media zelf om gevraagd om selectief en uiterst beperkt geïnformeerd te worden (ondanks de schijn van een informatie overvloed). Telkens blijkt hoe één enkele ramp of gebeurtenis buitensporig ruim uit wordt gemeten, terwijl gelijksoortige rampen of gebeurtenissen op het zelfde moment volledig worden gegegeerd en verzwegen.
Het beleefd klinkende uw wil geschiede van de media blijkt in werkelijkheid de maakbaarheid van de wil en het verlangen van de consument. Deze engineering kent een lange traditie en macabere geschiedenis, die de Vlaamse schrijver Willem Elsschot, - zelf werkzaam in de reclamewereld ten tijde van de begindagen van georganiseerde massahypnose –, uiteindelijk diep deed huiveren. Edward Bernays, een neef van Freud, stond zo ongeveer in dezelfde tijd, we spreken zegge en schrijven de jaren dertig van de vorige eeuw, aan de wieg van wat hijzelf later omschreef als de engineering of consent (1955). Goed opgelet bij de psychoanalytische lessen van grootpapa, en met de nazi-propaganda van Goebels hoe gemakkelijk het is de massa te bewerken als handig bijkomend praktijkvoorbeeld, ging Bernays vlot aan de slag met het manipuleren van de menselijke geest en werd al rap opgenomen binnen de intieme vriendenkring van David Rockefeller.*3) 

Consumeren wil ook zeggen, dat op kennis zelf niet wordt gereflecteerd. Zij dient geen hoger doel, wordt niet getransformeerd, waardoor ze ook niet werkelijk kán verrijken. Het uitsluitend tot zich nemen (consumeren, lett: verbruiken) van kennis, - we noemen dat kennis-verwerking vandaag de dag, en hebben daar allerlei machines voor die ons daarbij helpen -, is geen middel tot iets hogers maar een doel op zich. (De mogelijkheid überhaupt van ‘iets hogers’ wordt ondenkbaar en daarmee onbestaand en ridicuul geacht binnen deze omgang met kennis, aangezien zij beperkt wordt tot een uitsluitend horizontaal gebeuren: meer of minder kennis vindt enkel in de breedte plaats).

Dit is kijken zonder te zien, horen zonder te luisteren, waarmee het stomme napraten en een blind automatisme eigenlijk al geschapen zijn. Beter zou zijn te zeggen: de mens is ziende blind en horende doof geworden. Onwillekeurig moet je weer denken aan de profetische rotstekeningen van de Hopi waarop de ontspoorde mens staat afgebeeld in de vorm van een reeks poppetjes waarvan het hoofd telkens ontkoppeld is. Kijken zonder te zien is ook een accurate omschrijving van een fenomeen als televisie, waarbij een soort trance-achtige toestand ontstaat en het brein in alpha-ritme komt, - een slaaptoestand -, terwijl de electromagnetische flitsen onverminderd in de dieptse hoeken van de geest doordringen en vooral op het onderbewustzijn krachtig hun inprentingen achterlaten. In het laatste interview uit 2010 van Bill Ryan klinkt dan ook de boodschap: “helemaal geen televisie kijken!” Houd de geest zoveel mogelijk schoon en vrij.*4) Wij staan nauwelijks genoeg stil bij wat TV kijken eigenlijk met ons doet.

Amused to death*5)

Nieuws of geen nieuws, zijn we eigenlijk niet al heel lang behoorlijk goed op de hoogte van een groot aantal fundamentele misstanden in de wereld? De wereld kent momenteel ruim 1 miljard ondervoede mensen, waarvan er dagelijks bijna 30.000 sterven. Tegelijkertijd zijn er eveneens ruim 1 miljard mensen wereldwijd die lijden aan overgewicht. Anderhalf miljard mensen leeft zonder toegang tot schoon drinkwater, een voortdurend oplopend getal. Het aantal zelfmoorden dit jaar heeft inmiddels de 1 miljoen overschreden, een zelfde getal geldt voor het aantal sterfgevallen aan malaria. Aan AIDS/HIV zelfs het dubbele; bijna 2 miljoen doden. Nieuws of geen nieuws, feit is dat er hoegenaamd niets verandert. Haïti is nog een vrijwel even grote ramp als een jaar tevoren, ondanks de feel good show van giro 555. Onwetendheid, onwilligheid of zelfs pure corruptie?*6) Een ding staat vast: the species has amused itself to death…

Lijdt de mensheid nog niet genoeg aan over- dan wel ondergewicht, ook aan onze geestelijke gezondheid wordt serieus schade toegebracht met een dagelijkse informatie-tsunami die voor niemand meer weg te slikken is. Juist de combinatie van de dagelijkse dosering rampennieuws met de onmogelijkheid iets te kunnen doen heeft al bij velen geleid tot een een fatale geestelijke indigestie, uiteindelijk uitmondend in ongeïnteresseerdheid, apathie, onbetrokkenheid bij de gang van zaken in de wereld en zelfs totale geestloosheid. Met af en toe een bijdrage voor “het goede doel”, gescheiden plastic “voor het milieu” en andere feel good innovaties koopt de zelfbewuste burger zich op gepaste tijden vrij en kan met een gerust hart op de zelfde plaats blijven zitten. Het is de apathie van een negatieve gelassenheit. Geen wei woe wei, maar een innerlijke houding van “laat maar waaien”. Al deze factoren, en juist ook de hiermee contrasterende, in samenhang daarmee gepaard gaande fenomenen als vandalisme, agressie en geweld zijn mede het directe gevolg van een dolgedraaide informatie-maatschappij. Er heerst kortsluiting in de geest, de innerlijke schakelpanelen staan roodgloeiend, en ja, - het klinkt bijna zo vervelend politiek correct -; de stoppen slaan dus door. Door de informatie overkill en tegelijkertijd spirituele ondervoeding lijkt de huidige cultuur als een zinkend schip ten onder te gaan. Het trillingsveld der aarde is in steeds heviger beroering. De wereld staat in brand en loopt tegelijkertijd onder water. Le monde se roule dans l’espace, en de mensen draaien door, onwetend van de grote kosmische scharnieren waarvan de tijd zich bediend (zie deel 4).

Ten tijde van de renaissance was de rector magnificus (lett: grote stuurman) tevens professor in de astrologie. In onze tijd weet men ‘wel beter’. Het superioriteitsgevoel van de technologische mens kent dan ook geen nederigheid, alleen onderwerping van alles en iedereen aan zichzelf. Voor interne reflectie geen ruimte, voor bezinning op de grondslagen van eigen denken en handelen hoegenaamd ten ene male geen tijd en geen geld. De fundamenten van een mechanistische wetenschapsvisie dienen ten koste van alles niet aan het wankelen te worden gebracht, want dan zou de boel compleet onderuit gaan, een volledige en totale cultuur-shift zou volgen.

Opleidingen en studies dienen dan ook mede tegen deze achtergrond steeds korter én sneller te verlopen en staan volledig geënsceneerd in dit dreigende licht van alsmaar toenemende onwetendheid. Studenten dienen eenvoudigweg niet te leren reflecteren op hun mechanisch aangekweekte kennis, dat zou alleen maar vertraging en zelfs gevaar voor mogelijke obstructies met zich mee kunnen brengen binnen het eeuwig heilig doel der stijgende productielijnen. Lao–Tse riep echter al zo’n 2600 jaar geleden onomwonden het faillissement der hogere politiek uit, maar we hebben nog altijd moeite om aan dit idee te wennen. 
 

Het land regeer je door normaal te doen.
Oorlog voer je door onnatuurlijk te doen.
De wereld geeft zich gewonnen
aan niet-doen.

Hoe ik daar zo zeker van ben?
Hierdoor:
hoe meer beperkingen en verboden,
hoe armer het volk.
Hoe meer wapens,
hoe groter de wanorde.
Hoe meer kennis,
hoe meer vreemde voorvallen.
Hoe meer wetten en geboden,
hoe meer rovers en dieven.

Daarom zegt de wijze:
‘Ik doe niet en het volk
komt tot zichzelf.
Ik houd mij rustig en het volk
wordt vanzelf natuurlijk.
Ik onderhandel niet en het volk
verrijkt zich vanzelf.
Ik ben nergens op uit
en het volk keert terug
tot de eenvoud van
het onbewerkte hout.’

(Lao Tse, Tao Te Ching, 57)

De laatste botte slagen worden gestreden binnen de politieke kaders waarin onze levens sinds ‘mensenheugenis’ gegoten zijn. Jammer dat die mensenheugenis vaak nogal te wensen overlaat, want het is heus niet altijd zo geweest, hetgeen zelfs vandaag de dag nog gezien kan worden aan wat er nog rest van de vele inheemse volkeren die onze woeste prachtige aarde ooit herbergde. De tijd kent z’n ups en downs, golven en dalen, waarvan de Purana’s uit het oude India al verhaalden. In het huidige dode punt van de tijd, hoewel ze sneller tikt dan ooit tevoren, is kennis nog slechts van ondergeschikte waarde. Uitsluitend de omzet die met producten als gevolg van de uitkomst van zekere kennis kan worden behaald, is van belang. “2011 wordt net als 2010 een jaar vol onrust. De problemen binnen de eurozone blijven. Het credo voor 2011 is: spreiding”, zo kopt het NRC Handelsblad nog vlak voor kerst haar prognoses uit. Als bange slaven wordt ons verteld ons ‘te verpreiden’ om niet massaal verpletterd te worden onder de wisselvallige wisselkoersstrategieën van de grote geldfamilies der aarde waaraan wij onszelf geketend houden middels het slijk der aarde. De slotfase is echter allang ingetreden.
 

De politiek heeft geen toekomst, de politiek heeft alleen bestaan vanwege de neurose waarin de mensheid leeft. Als die neurose eenmaal verdwenen is, verdwijnt ook de politiek.

(Osho)

U, die het ons zo gemakkelijk hebt gemaakt
In de wereld te werken,
terwijl dat niets oplevert,
bevrijd ons!
(…)
Laat ons zien hoe het werkelijk is.

(Rumi, Masnavî, II, 466-467)

Laten zien hoe het werkelijk is, zal het politiek discours of wat daar nog van over is, nooit doen. Mocht er onverhoopt toch iets doorsijpelen binnen de media ten aanzien van ‘hoe het werkelijk is’, dan zijn daar altijd nog Rupert Murdoch en John de Mol om de werkelijke bedoelingen kunstig te verbergen. Zoals gezegd is wel het aller schrijnendste aspect dat aan de moderne mediamoloch kleeft, dat ondanks de ongetwijfeld redelijk correcte publicatie van veel gegevens en informatie, de waanzin onverminderd doorgaat. Zo werd bijvoorbeeld Dick Cheney, die op sinistere wijze enkele jaren geleden de media uitdaagde met de ‘rechtvaardiging’ van zijn optreden ten aanzien van de Irak-oorlog en de martelingen in Guantanamo-bay, door niets en niemand werkelijk ter verantwoording geroepen. Geen Wikileaks document hoeft nog te worden toegevoegd aan de stapel bewijslast welke reeds lange tijd voorhanden is. Het is maar een enkel voorbeeld om aan te geven welk mogelijk macaber spel zich binnen de media als voertuig afspeelt, waar wel met ‘gepaste’ regelmaat melding wordt gemaakt van processen tegen heel hoogbejaarde ex-dicatators of oude nazi-kopstukken. Had men daarmee niet wat eerder kunnen komen, zo vraag je je onwillekeurig af, maar belangrijker; hoe komt het toch telkens zo uit dat de nazi’s en dictators van nu zo mooi buiten schot weten te blijven. Maar genoeg retorische vragen voor dit moment..
 

De grootste verrader

Lieflijke knaap die je bootje losmaakte van de oever, en je ongeoefende hand op de breekbare, naar de zee verlangende roeispaan legde, nu ben je plotseling bewust van je ongeluk.
Je ziet de noodlottige golven van de verrader, je voorsteven die beurtelings teveel daalt en klimt; en je door kwellende zorgen overmande ziel kan niet op tegen de zijdelingse en gezwollen waterstromen.
Je staat je riemen af aan je woeste vijand, wacht schier onbezorgd op de dood,
en sluit daarbij je ogen om deze niet te zien.
Als er niet snel enige bevriende hulp komt, zul je zeker weldra de laatste gevolgen ervaren
van jouw door onwetendheid en nieuwsgierigheid ingegeven streven.
Mijn wrede lot is gelijk aan het jouwe, want verlangend naar liefde
ervaar ik de hardheid van de grootste verrader.

(Giordano Bruno, Over de oorzaak, het beginsel en het Ene.- De Heroïsche Vervoeringen)

De lieflijke knaap is de reine ziel, ook wel alchemisch ‘de eeuwige jongeling’ (puer aeternus) genoemd. Het bootje staat voor het lichaam (voertuig) waarmee de ziel door indaling in de stof zich losmaakt van zijn bron, de oever. Verwarring valt de afgescheiden ziel ten deel. Je staat je riemen af aan je woeste vijand, en schenkt je eigen kracht weg; laat het leidsel aan machten en autoriteiten, sluit daarbij de ogen om niet te zien. De machten en krachten die de mens met zich mee trachten te sleuren worden niet gezien omdat het niet ‘om aan te zien is’, de confrontatie met de waarheid te zwaar. Voor de dood worden de ogen gesloten, weggedrukt uit het bewustzijn, achter zwarte ramen en lange gesloten auto’s. De gevolgen zullen niet uitblijven voor de mens die door onwetendheid en nieuwsgierigheid gedreven, blind blijft voor de werkelijkheid én voor diens afhankelijkheid van de grootste verrader.

Hoewel het woord ‘verrader’ al gauw associaties met rancune en geweld op kan roepen, is het hier toch juist gebruikt, want ook met behoud van mededogen en begrip, met respect voor alle leven en alle levens, is het mogelijk om dit begrip te hanteren. 

Dezelfde krachten welke de inquisitie belichaamden ten tijde van Giordano Bruno (16e eeuw), zijn weliswaar veranderd qua uiterlijke gedaante, maar trekken ook nu nog altijd aan de langste lijntjes van geloof en staat (nu: media en politiek). Binnen de antropologie bestaat daar een term voor: shape-shifting*7) Het kan beslist geen kwaad om de gelaatsuitdrukking van bepaalde top-bewindslieden eens onbevangen trachten gade te slaan. Reeds Tolstoi merkt in een van zijn verhalen over diens kindertijd op:
 

Ik geloof dat, wat men de schoonheid van een gelaat noemt, alleen maar in een glimlach bestaat:
als een glimlach de aantrekkelijkheid van een gezicht verhoogt dan is dat gezicht ook mooi;
verandert het gezicht er niet door, dan is het alledaags; wordt het er door ontsierd,
dan is het een slecht gezicht.*8)

Een kind heeft over het algemeen nog een veel beter gevoel welk gelaat het kan vertrouwen, omdat het alle subtiele informatie inclusief de energie-uitstraling, als taalboodschap leest, en nog niet uitsluitend blind vaart op de gesproken boodschap. Daarom is een kind immuun voor politieke taal en heeft de werkelijke bedoelingen altijd feilloos door, hoewel het juist door die tegenstrijdigheid de situatie vaak niet zal begrijpen. De ‘verrader’ waarover Bruno spreekt is nog altijd onder ons, wordt nog onvoldoende herkend en kan daardoor nog niet afdoende worden ontmaskerd. Ziende blind en horende doof, spelen we gedwee het spelletje mee. Wanneer de koningin in haar kersttoespraak spreekt van de noodzaak tot samenwerking en het belang van onderling vertrouwen, maar daar natuurlijk niet bij verteld hoe zij zelf haar eigen familie bespioneert, zijn wij de berichtgeving daarover van enkele jaren geleden natuurlijk allang weer vergeten. Het volk blijkt gelukkig bijzonder vergeetachtig vandaag de dag.

Het collectief geheugen lijkt met de dag verder te dementeren: de officiële biografie over Prins Bernhard, vorig jaar verschenen, eindigt rond 1953 om de uiterst merkwaardige reden “dat er daarna niets noemenswaardigs meer voorviel in het leven van de prins” *9). Van oude ‘foute’ lidmaatschappen wordt uiterst voorzichtig een heel klein tipje opgelicht, doch het lijkt er verdacht sterk op dat de geschiedenis na 1953 nog niet teveel mocht worden vrijgegeven. Bernhard, Een verborgen geschiedenis zo luidt de titel van de biografie, en inderdaad blijft zo nog veel voor ons verborgen. Blijkbaar te vers, te gevoelig materiaal, en hebben ook hier Justitie en de AIVD zich bij voorbaat grondig met de zaak bemoeit. Staatsveiligheid. Gelukkig weet inmiddels menigeen dankzij o.a. Daniël Estulin allang welke centrale rol de prins speelde bij de oprichting van de Bilderbergers, een van de machtigste westerse geheime loge’s van waaruit de wereld wordt aangestuurd en waarin ook dochterlief zitting heeft recht te midden van de harde kern bestaande uit o.a. David Rockefeller en Henry Kissinger.*10) Liever veilt de Koninklijke familie wat oude erfstukken voor het goede doel, dat is altijd al een perfecte afleidingsmanoeuvre gebleken. Aan oud en kostbaar serviesgoed voorlopig geen gebrek. 
 

Over de menselijke waardigheid 

Het licht
beweegt de mensen,
 
het licht beweegt
met de mensen
er tegenin
mee,
 
blijft
de omgekeerde
richting
aangeven

(Hans Andreus)

Het licht blijft de juiste richting aangeven, zonder dwang, als de stille maar altijd aanwezige innerlijke gids. De krachten en trillingen van het universum zijn onvoorstelbaar groot en verreikend, we zijn er allemaal aan onderworpen in die zin dat we er voortdurend mee geconfronteerd worden. Al beseffen we veelal weinig omtrent de ware aard ervan, we trillen en ‘hobbelen’ voortdurend mee, maar toch zijn we nooit een willoze speelbal van kosmische krachten. De sterren dringen, maar dwingen niet, zoals het spreekwoordelijk heet. De mens is er niet toe veroordeeld om als een hond aan een touw telkens de zelfde rondjes om een paal te blijven rennen, waarmee de Boeddha la condition humaine eens treffend vergeleek. “Wees je eigen lamp, verlicht je eigen pad!” wordt eveneens tot zijn woorden gerekend. Er is altijd de mogelijkheid om aan de groeven van de tijd (resonanties, tijdperken, condities, eonen, omstandigheden, karma, matrix, etc.) te ontsnappen.
 

“Wij hebben u, o Adam, geen bepaalde woonplaats,
geen eigen aangezicht, geen enkele speciale taak gegeven,
opdat ge die woonplaats, dat aangezicht en die taak die ge verkiest,
verwerven en bezitten zult naar uw eigen wil en wens.
Voor alle andere wezens is de natuur vastomlijnd
en binnen de door ons voorgeschreven wetten beperkt.
Gij zult die voor uzelf bepalen, door geen grenzen belemmerd,
naar eigen vrije wil, waaraan ik u heb toevertrouwd.
Ik heb u midden in het heelal gezet, opdat ge van daaruit
gemakkelijker alles rondom u zien kunt wat er in de wereld is.
En we hebben u niet hemels of aards, niet sterfelijk of onsterfelijk gemaakt,
opdat ge als een vrij en soeverein kunstenaar uzelf boetseert
en modelleert in de vorm die ge verkiest.
Het staat u vrij naar het lagere, het dierenrijk te ontaarden,
maar ge kunt u ook verheffen naar het hogere,
het goddelijke rijk, door eigen wilsbeschikking.”

(Pico della Mirandola, uit “De hominis dignitate” [over de menselijke waardigheid], 1487)

Midden in het heelal wil in wezen zeggen: overal. Deze paradox wordt duidelijk als wij bedenken dat je vanaf de rand, vanaf de zijlijn nooit overzicht zult hebben, en dus geen keuzevrijheid. Die positie is letterlijk ‘buiten spel’, klinisch, theoretisch en dus fictief.
De mens is de mogelijkheid geboden naar alle kanten te kunnen kijken, zijn eigen levensontwerp ter hand te nemen. Dit in tegenstelling tot de dieren- en plantenwereld die op geen enkele wijze buiten de wetten van de dhamma kunnen treden, althans niet uit zichzelf. Dat wordt natuurlijk een ander verhaal wanneer mensen er mee gaan klooien en klonen, maar voor de natuur geldt enkel de Grote Natuurwet, de wet van harmonie, en geen moraliteit en gewetensvraagstukken. De natuur kan niet scheef gaan, kan niet buiten haar oevers treden.

Het panopticum vormt de concretisering van onze metafysiche positie midden in het heelal, de positie van waaruit men een totaal overzicht kan genieten. In negatieve zin vindt men dit concept als totaal-controle terug in veel planologische en stedenbouwkundige ontwerpen in de vorm van bijvoorbeeld grote, centrale pleinen en zelfs binnen de architectuur van gevangenissen en gemeentehuizen.*11) Het midden is echter in positieve zin de geborgen positie, die juist vanwege die geborgenheid het totaal omvat, en dus tevens een ‘vrije positie’ is. In deel I merkte ik al het een en ander op omtrent de relatie tussen het middelpunt (‘puntloze ik’) en het totaal (het Al). “en dat dit middelpunt werkelijk overal is; het is in ons allemaal te vinden” (Black Elk). In het midden zijn, betekent midden in het leven staan. Het heilige centrum van het leven, Wakan Tanka, - het diepste mysterie -, is werkelijk overal, totaal en alomtegenwoordig. Mits je daar eenmaal ‘oog’ voor hebt gekregen kun je er nooit meer helemaal naast kijken. In plaats van ziende blind te wezen ontwikkelt zich geleidelijk aan een helder zicht: visie. Het boeddhistische ideaal van in je midden te zijn, is geen statisch gegeven, of zelfs maar een ruimtelijk idee, hoewel het wel met een ruimtelijke metafoor kan worden verduidelijkt aan de hand van het beeld van een koorddanser. Om diens evenwicht te bewaren op het touw moet de koorddanser voortdurend laveren, beweegt hij nu weer naar links, dan weer naar rechts, om direct daarop weer naar links te bewegen, enz. Alleen binnen die constante dynamiek is het mogelijk om het midden te kunnen behouden, maar zodra hij zich daarin fixeert is het gedaan, en stort hij onherroepelijk naar beneden. Zo geldt dat ook voor alles en iedereen; nooit te verstarren in een ideaal, methode, leer of principe, hoe mooi of geldig die ook moge zijn. 

Alleen wijzelf kunnen veranderen door in te zien dat niet het ik
het middelpunt van de wereld is, maar dat de wereld
in de onmetelijkheid van de eigen geest rust.

(Marcel Messing) 

Ook in deze beschouwing wordt getracht als een koorddanser te laveren tussen diverse ideeën, wijsheidsteksten en poëzie, in de hoop daarmee een bundeling van krachten te kunnen bewerkstelligen. Door jezelf te vervlechten met een spiritueel erfgoed aan  ideeën en gevoelens, als ware het ons dagelijks brood, kan zoiets als ‘cultuur’ levend blijven en meer vrucht gaan dragen. Hoewel het leven zelf de hoogste en enig werkelijke leerschool is voor een mens, kan een cultuur eenvoudigweg niet bestaan zonder verbinding met haar traditie.

Je zoekt kennis in boeken? Belachelijk!
Je zoekt genot in suikergoed? Belachelijk!
Je bent een zee van kennis die schuilgaat in een dauwdrop,
Je bent het heelal
dat schuilgaat
in een lichaam van amper drie el.

(Rumi, Masnavî V: 3578-3579)


Huiswaarts

De jivanatman, – het kleine zelf, of de individuele ziel, – is geen werkelijke, onafhankelijke entiteit, en vanuit die beperking, of beter gezegd: vanuit die (hardnekkige) illusie kan dan ook niet veel worden uitgericht. Wat binnen het hindoestaanse denken met de term maya wordt aangeduid, heeft dan ook betrekking  op de overweldigende illusie waarin de mens is ondergedompeld. De werkelijkheid zelf is noch werkelijk, noch onwerkelijk te noemen, maar er gaat zo’n overweldigende en zuigende werking van maya uit, dat ze uiterst overtuigend en ‘echt’ overkomt. Maar is een droom dat niet eveneens, zolang ze gedroomd wordt? Afgescheiden van de bron, de essentie, het werkelijke leven, in de christelijke terminologie de Vader genoemd, beleeft DAT de tocht door de materie binnen een illusoire, aangenomen identiteit. En keren we nog eenmaal terug naar het beeld dat ook Bruno hanteerde van de “lieflijke knaap die zijn bootje losmaakte van de oever”:
 

’t was zomermiddag, ik was
in mijn roeiboot de plas
opgegaan en liet mij drijven:
ik lag op mijn rug,
de ruimte, de teerlucht, de lichte golfslag,
tegen het boord verrukten mij en ik dacht:
wie kan zeggen, dat hij het licht heeft gezien
en muziek heeft gehoord,
zolang hij het water niet kent
en dit landschap niet heeft gezien?
 
van den hemel sneeuwde het licht.
 
(H.Marsman, Uit: ‘Lezend in mijn boot’, 1936- 1937)

Laat je drijven in je boot, maar wees niet stuurloos. Vaar op je innerlijk kompas, wees trouw aan jezelf, en kom daardoor veilig aan. De boot als metafoor of verlengstuk van het lichaam, wordt bij Marsman tot geborgen midden. Vertrouwen op en overgave aan de eigen intuïtie maken dat de plas, het water waarin wij ‘ronddrijven’, zich tot een grenzeloos universum kan uitbreiden waarin de mens zich diep geborgen weet, zich overal thuis voelt.

Vlam in mij, laai weer op;
hart in mij, heb geduld,
verdubbel het vertrouwen –
vogel in mij, laat zich opnieuw ontvouwen
de vleugelen, de nu nog moede en grauwe;
o, wiek nu op uit de verbrande takken
en laat den moed uwe vaart niet zakken;
het nest is goed, maar het heelal is ruimer.

(H.Marsman. Phoenix, 1929- 1933)

Laat alles en iedereen, het ganse heelal, je leraar zijn, zonder iets of iemand in het bijzonder. Yoga is het oosterse begrip voor het Griekse woord Harmonie; zij zijn in wezen identiek aan elkaar. Yoga wil zeggen eenwording, verbinding met God. Harmonie betekent zowel schoonheid, evenwicht als wel kosmos of orde. Een yogi staat in de orde, de dhamma, hij leeft de Grote Levenswet. Dat is het streven, om daar mee in harmonie te komen, zoals prachtig kernachtig verwoord in de Mundaka Upanishad: 

Leid mij van onwetendheid naar weten.
Leid mij van duisternis naar het licht.
Leid mij die gevangen zit in het idee dat ik sterfelijk ben, naar ware onsterfelijkheid
.

Onsterfelijkheid van geest, d.w.z. onsterfelijkheid naar bewustzijn wel te verstaan. Van wereldse gevangenschap en het daarmee gepaard gaande lijden naar spirituele bevrijding. Iedere methode, iedere leer is daarbij van ondergeschikt belang. Het oprechte streven, de spirituele bereidwilligheid is het enige en uiteindelijke waar het om gaat.
 

Bind aanbidding
aan geen enkele regel of methode.
Zeg gewoon wat er in je gepijnigd hart opkomt.

(Rumi)

Een beetje zielshonger, een zekere pijn aan de wereld hebben, is wat de mens uiteindelijk vanzelf naar dit pad toe leidt. We hoeven het enkel te betreden. En hoewel continenten opnieuw kunnen verzinken, culturen aan hun eigen benauwende informatievloed ten onder kunnen gaan in een collectieve eendimensionaliteit, aan de ziel van de mens blijft ten alle tijden de mogelijkheid ter beschikking staan om zich los te wrikken, op te stijgen, zich te ontwikkelen en zich te bevrijden uit haar zelf geschapen kluisters van onwetendheid. 
 

Vol vertrouwen spreid ik mijn vleugels uit naar de ruimte.
Ik vrees geen grens van kristal of van glas,
ik doorklief de hemel en zweef naar het oneindige.
En terwijl ik van mijn eigen wereld naar een andere reis
en steeds verder doordring in de eeuwige ruimte,
laat ik dat wat anderen van veraf zagen,
ver achter mij.*12)
 
(Giordano Bruno)

© Wido Blokland, 2010-2011
www.opklimmen-in-bewustzijn.nl

 

*1) Inayat Khan, Verruiming van bewustzijn, 1971, pp.58. Het citaat is afkomstig van een lezing door Khan uit de jaren ’20 van de vorige eeuw. Probleem waarvan hier gewag wordt gemaakt speelt zodoende al een tijdje.
*2) Joep Trommelen, PZC 13-01-2011
*3) Adam Curtis, BBC-documentaire-serie The Century of the Self – dl.2 The Engineering of Consent, 2002. De activiteiten van Bernays beginnen feitelijk al in de jaren ’20  en spreiden zich uit tot in jaren ’60 en hebben daarmee betrekking op de complete vormgeving van een heel tijdperk dat in onze dagen z’n apotheose beleefd.
*4) Bill Ryan, Project Avalon documentaire The Rulers of the World, 2010
 http://www.wijwordenwakker.org/content.asp?m=M26&s=M118&ss=P1107&l=NL
*5) Roger Waters, Amused to Death, 2000
*6) Naomi Klein, The Shock Doctrine, 2008
*7) Marcel Messing, Het huis op de rots gebouwd, 2010, pp.72-75.
*8) L.N.Tolstoi,Uit: Verzamelde werken I, G.A. van Oorschot, 1967, pp. 13.
*9) Annejet van der Zijl, Bernhart, Een verborgen geschiedenis, 2010.
*10) Daniël Estulin,De ware geschiedenis van de  Bilderberg conferentie, 2006
*11) zie: Michel Foucault, Les mots et les choses, 1966 (De woorden en de dingen, Een archeologie van de menswetenschappen)
*12) Giordano Bruno, Uit: “Een komeet raasde over Europa”, Giordano Bruno,         symposionreeks 11, Rosekruis Pers, 2002, pp. 24
 

O God, openbaar aan de ziel
die plaats waar spraak geen letters heeft
opdat de zuivere ziel zich onbevreesd
begeeft naar de uitgestrektheid
van het niet-bestaan
van waaruit we worden gevoed. 
 
(Rumi, Masnavî, I: 3092-3094)