Over het onsterfelijke rijk van Barbelo-Sophia


‘Jezus bij Judas, gezant van Barbelo’

In het ‘Evangelie van Judas’ zegt Judas tegen Jezus: ‘Ik weet wie U bent en waar U vandaan komt. U komt uit het onsterfelijke rijk van Barbelo. En ik ben niet waard om de Naam uit te spreken van wie U gezonden heeft’.

Dat is nogal een uitspraak van Judas. Barbelo is in het Judasevangelie kennelijk van groot belang. Zij komt in totaal in de in 1945 teruggevonden Nag Hammadi Bibliotheek zes en dertig keer voor. Zij wordt ook wel Sophia genoemd, een naam die in de bibliotheek veel vaker valt. En andersom: Sophia wordt ook wel Barbelo genoemd. Beide namen duiden dezelfde kracht aan. In joods-christelijke en gnostische teksten zendt Barbelo-Sophia Jezus om haar reddingswerk voort te zetten. Jezus is haar afgezant. De eerste christenen kennen haar dus en ook Judas kent haar. Wie is deze Barbelo eigenlijk? Wie is deze Sophia eigenlijk?

Barbelo wordt vermeldt in talloze teksten, waaronder vijf lange en schitterende hymnes. Zij komen in dit artikel aan de orde. Een eerste hymne over Barbelo staat in het gnostische ‘Geheime boek van Johannes’ of het ‘Apocryphon van Johannes’, een sleutelgeschrift in de bibliotheek (ca 150-200).

Want Hij (de Vader, is het) die zichzelf kent
in zijn eigen licht, dat Hem omringt
dat de bron van het levende water is,
het licht vol zuiverheid.
De bron van de Geest
liet het levende water uitstromen
en voerde het koor van alle eonen en… allerlei werelden aan.
Hij begreep dat het zijn eigen beeld was,
toen hij het zag
in het heldere lichtwater dat hem omgaf.
En zijn gedachte verzelfstandigde zich
manifesteerde zich en
Zij stond voor hem
vanuit de straling van het licht
(Berlijnse Gnostische Codex of BG 12). 
Dus de bron van de Geest die soms ‘vader’ wordt genoemd ziet zijn spiegelbeeld.

De tekst vervolgt:
Dit is de kracht die zich manifesteerde
voordat het Al zich manifesteerde.
Dit is de volmaakte Voorzienigheid van het Al
het Licht, de gelijkenis van het Licht
het (even)beeld van de Onzichtbare.
Dit is de volmaakte kracht,
Barbelo,
de volmaakte eon der heerlijkheid.

(Berlijnse Gnostische Codex BG 13).
Barbelo is het evenbeeld van de Onzichtbare. Zijn gedachte verzelfstandigt zich tot De Eerste Gedachte of Barbelo. Dus Barbelo is er voordat het Al er is.

Er is nog een andere lange hymne over Barbelo. Deze is opgenomen in de gnostische tekst genaamd de ‘Drie Stèles van Seth’ (ca 250). Hier wordt Barbelo als volgt bezongen:

Groot is de eerste der eonen,
Barbelo,
de mannelijke Maagd.
O eerste Heerlijkheid van de onzichtbare Vader,
(gij) die volmaakt genoemd wordt!
Gij hebt in den beginne gezien,
dat de waarlijk Preëxistente
een Niet-Zijn is,
en uit hem en door hem zijt gij eeuwig preëxistent
O Niet-Zijn, dat uit één ondeelbare
drievoudige kracht is voortgekomen!
Gij zijt een drievoudige Kracht
gij zijt een grote Monade uit een zuivere Monade …
Schepster der eonen
… (NHC VII 5,121-22).

Dus uit ‘Niet-Zijn’ of de ‘Onzichtbare Geest’ of ‘Vader’ komt hier ‘Zijn’ of ‘Barbelo de Moeder’ voort. Zij is drie uit een. Zij is een. Een monade. Zij is schepster der eonen, uitstromingen van God. ‘Eon’ staat voor ruimte, tijd, tijdperk, eeuw en oneindige tijd of eeuwigheid. In bovengenoemde tekst is Barbelo schepster van de kosmos, een aspect dat in andere Sethiaans-gnostische teksten ook voorkomt. 

Er zijn de Vader en de Moeder. Er is ook nog een derde persoon, de Zoon. In de korte versie van het ‘Geheime boek van Johannes’ en bij de oudste informatie over Barbelo bij Irenaeus (Adv Haer. I, 29. 16) kijkt Barbelo naar God.  Nu wordt zij zwanger en brengt een lichtvonk voort die op het Oerlicht -dus de onzichtbare Geest- lijkt maar in grootheid hiervoor onderdoet.

Hoe is het rijk van Barbelo opgebouwd? In die stilte waarin de onkenbare Geest of God verblijft, komt beweging. Hij spiegelt ‘de eerste Gedachte’. Zij is zijn werkzame kant. Deze kant is drievoudig en bestaat uit de Vader, de Moeder (en) de Zoon. Daarom is Barbelo drievoudig, tweevoudig en toch enkelvoudig. Zij is zelfs deel van het Niet-Zijn, de nulfase. In de hymne over Barbelo in de ‘Tweede Stèle van Seth’ lees je:

(Gij, Barbelo) en wordt als eerste geopenbaard,
groot mannelijk Bewustzijn,
vaderlijke God,
goddelijk Kind!…
Gij zijt de wijsheid van de Gnosis: gij zijt de Waarheid.
Dank zij u is het Leven: uit u is het Leven.
Dank zij u is het Bewustzijn: uit u is het Bewustzijn.
Gij zijt Bewustzijn.
Gij zijt een kosmos van Waarheid,
gij zijt een drievoudige Kracht,
gij zijt drievoudig, waarlijk uw getal is driemaal 
O eon der eonen
(NHC VII 5,123).

Barbelo is de werkzame kant van de onkenbare Geest. Zij als Moeder is de vaderlijke God en goddelijk Kind tegelijk. Zij is drie in een. Dank zij Barbelo is Leven en Bewustzijn, iets dat in de gnostische tekst ‘Allogenes’ terugkomt (NHC XI 3, 61, 33-39). Niet-Zijn spiegelt Zijn of Bewustzijn. De spiegelende bewustzijnskant is de vrouwelijke Zijnskant van God. Deze vrouwelijke kant maakt bewust. Daarom veroorzaakt zij materie. En alle tegenstellingen, iets dat tot uiting komt in de tekst ‘Brontè: volmaakt Bewustzijn’. Een tekst waarin het volmaakte vrouwelijke Bewustzijn zich in een schitterende rede uitspreekt (NHC VI 2).

Barbelo schept de eonen, zegt de tekst. Barbelo staat als collectieve naam voor het hele veld van eonen dat van God uitstraalt. Al die eonen worden Barbelo’s genoemd. Dus de eon van Barbelo bestrijkt het tussengebied tussen de Onzichtbare Geest en de stoffelijke wereld. Uit de ervaringen van gnostici zoals zij in diverse gnostische geschriften zijn overgeleverd, blijkt dat gnostici door de drie gebieden in de Barbelo-eon opstijgen. Zij maken een soort hemelreis. De reis omhoog is in feite een reis naar binnen. De drie gebieden in de eon van Barbelo zijn bewustzijnstoestanden die zij in zichzelf ervaren.  Deze driedelige opbouw van de boven- en binnenwereld heeft Judas voor ogen wanneer hij spreekt van ‘de onsterfelijke rijk van Barbelo’. Hoe prachtig is het om via Judas hernieuwd met Barbelo en haar onmetelijke en onsterfelijke rijk buiten ons en in ons kennis te maken.

Barbelo wordt wel Sophia genoemd. En andersom: Sophia wordt ook wel Barbelo genoemd. Beide namen duiden dezelfde kracht aan. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het slot van het evangelie der Egyptenaren:
met de grote onzichtbare eeuwige Geest en
zijn enig-verwekte zoon en het eeuwige licht
en zijn onvergankelijke paargenote en de onvergankelijke Sophia en de Barbelon

(NHC III 2, 68).
Sophia en Barbelo zijn hier een en dezelfde. Zo ook bij Eugnostus (NHC III 3, 76-77). En in een bericht van Epiphanius (Adv. Haer. 21.2,5). En in het ‘Geheime boek van Johannes’ (NHC II.8.16-20). Zo ook bij Zostrianus (NHC VIII.1). Bij Allogenes (NHC XI.3) en bij de Drie Steles van Seth (NHC VII.5). Barbelo is Sophia.

Maar wie is Sophia? Ook haar naam valt kort in het ‘Evangelie van Judas’.
Sophia of Vrouwe Wijsheid is een oude gestalte uit de joodse wijsheidsliteratuur. Zij stamt uit de tiende eeuw v. Chr.  In Jezus Sirach houdt Sophia een redevoering en zegt:

Uit de mond van de Allerhoogste ben ik voortgekomen
en als een nevel heb ik de aarde bedekt.
Ik sloeg mijn tent op in de hoogte van de hemel
en mijn troon stond op een wolkenzuil.
Ik heb het hemelgewelf alleen doorlopen
en in de diepte van de afgrond ben ik rondgegaan.
Op de golven van de zee en overal op aarde
en bij alle volken en stammen kreeg ik macht
(Jez. Sir.24:3-6). 

Sophia is uit de mond van God uitgegaan. Zij is in de hoogste hemel. Zij doorloopt de hemelkring en wandelt in de diepte van de afgrond. Hiermee duidt zij aan dat zij de kosmos schept en te land en ter zee over alle volken heerst. Sophia is hier de machtige kosmische godin. Zij zal in de gnostiek de naam dragen van Barbelo/Sophia.
De joodse Sophia daalt af en stijgt op. Het is een archaïsch beeld afkomstig uit de oude moedergodinreligie. Isis, Inanna, Demeter, Kore, Asjera en Anat van Kanaän worstelen in de onderwereld en komen daarna weer boven op aarde. 

Veel van de joodse Sophia leeft voort in de gnostische Sophia of Barbelo/Sophia. In de gnostiek komen esoterische en mystieke stromingen van de Egyptische, Griekse en joodse godsdienst samen. Naast God de Vader staat als zijn gelijkwaardige partner God de Moeder, Barbelo/ Sophia. Maar waarom toch steeds die dubbele naam?
Er ontstaat een breuk in het pleroma omdat Sophia als laatste en laagste eon of uitstraling van God op eigen houtje aan het scheppen slaat. Zij wordt nu de kleine Sophia genoemd. Zij baart een misbaksel. Het is een monster met de kop van een leeuw en het lichaam van een slang. Dit monster schept de hemel, de twaalf tekens van de dierenriem en de zeven planeten. Hij denkt dat hij alleen is. Hij wordt de demiurg genoemd. De kleine Sophia verbergt hem:

opdat niemand van de Onsterfelijken hem zou zien,
omat zij hem in onwetendheid had voortgebracht.
Zij verbond met hem een lichtwolk en
plaatste midden in de wolk een troon,
opdat niemand hem zou zien,
behalve de Heilige Geest, die Leven genoemd wordt,
de Moeder van iedereen
(Geheime boek van Johannes, BG 28; NHC II 1, 10). 

Hier ontmoet je de lagere of de kleine Sophia die uit het Pleroma valt en daar ook niet meer in zal terugkeren. Zij verblijft in een lager deel van het Al daaronder, de negende of achtste sfeer (BG 41; NHC II 1, 14). Zij krijgt hier dus min of meer de schuld van het ontstaan van de zichtbare wereld. In de lagere delen van het Al is zij aanwezig als Moeder en Heilige Geest, zegt de tekst die hierin ondersteund wordt door anderen. Deze van de Moeder Barbelo/Sophia of grote Sophia afgesplitste kleine Sophia blijft Sophia heten. De oorspronkelijke Sophia krijgt een andere naam: Barbelo of ‘in vier is God’.

Door het gat in het pleroma verdwalen lichtvonken in de duisternis daaronder. Zij moeten gered worden. Over die reddingsactie berichten ons de twee laatste Sophia-hymnen die hier aan de orde komen. Het zijn proto-gnostische hymen die afkomstig zijn uit de joodse wijsheidsscholen. Het is een groot geluk dat de hymnen over de oeroude joodse Sophia zijn opgenomen in de in 1945 opgegraven bibliotheek bij Nag Hammadi. Wij zien Sophia als vanouds afdalen en opstijgen. Zij is hier nog niet gesplitst in de grote en de kleine Sophia. Het zijn twee aspecten van haar wezen, wat duidt op de ouderdom van de hymnes en hun joodse afkomst. In de hymnes klinkt als het ware de echo van de oude moederreligie nog na. De eerste hymne waarin Barbelo/Sophia zich zelf uitspreekt, vind je aan het eind van de lange versie van het ‘Geheime boek van Johannes’.  Ze wordt Pronoia of Voorzienigheid genoemd. Zij vertelt dat ze drie keer afdaalt. Luister naar delen van het lied dat de onlangs teruggevonden Pronoia opnieuw voor ons zingt:


Ik nu, de volmaakte Voorzienigheid van het Al
heb mij gevestigd in mijn nageslacht.
In den beginne ging ik namelijk op alle wegen,
want ik ben de rijkdom van het Licht,
Ik ben de Gedachte (herinnering) aan het Pleroma.
Ik ging in de dikste Duisternis
en hield vol tot ik midden in de Gevangenis kwam.
En de grondvesten van de Chaos schudden,
en ik verborg mij voor hen vanwege hun boosheid
en zij kenden mij niet.
Zij daalt voor de tweede keer af, zonder succes.
Nogmaals ging ik, voor de derde maal,
ik, het Licht dat in het Licht is,
ik, de Gedachte van Voorzienigheid,
om tot midden in de Duisternis
en binnen in de Onderwereld te gaan.
Ik vulde mijn gelaat met het licht van de voleinding van hun eon (einde der tijden)
en ik ging tot midden in hun Gevangenis
-dat wil zeggen de gevangenis van het lichaam- en ik zei:
‘Laat wie hoort opstaan uit zijn diepe slaap’!
En hij/zij (de mens) weende en stortte vele bittere tranen.
Hij/zij wiste ze af en zei:
‘Wie is het die mijn naam roept
en vanwaar is deze hoop tot mij gekomen,
tot mij die zich in de ketenen van de Gevangenis bevindt’?

(hier huilt de oermens, de adam, om haar die redt).
En ik zei:‘Ik ben de Voorzienigheid van het zuivere Licht,
ik ben de Gedachte van de maagdelijke Geest,
die u opheft naar de verheven plaats.
Zij heeft bij haar kinderen het bewustzijn gewekt.
Sta op en bedenk, dat gij het zijt die( de roep) gehoord heeft.
Houd u aan uw wortel, aan mij, de Barmhartige,
en hoed u voor de engelen der Armoede
en de demonen van de Chaos en allen die u verstrikt houden.
En waak op uit de diepe slaap
en uit de omhulling van het binnenste van de Onderwereld’.
En ik deed hem opstaan
en verzegelde hem in het lichtwater met vijf zegels,
opdat de dood voortaan geen macht over hem zou hebben.
Ik ging omhoog naar de volmaakte eon
(NHC II 1, 77).

Je leest hoe Voorzienigheid afdaalt, de mens in de gevangenis van zijn lichaam bewust maakt van zijn lichtkern en goddelijke afkomst en hem eeuwig leven schenkt. De zegels zijn de tekenen van haar mysteriën.  Daarna gaat zij terug omhoog naar haar eon, haar onsterfelijke rijk. Zij is de redster en de verloster. Haar zoon Christus zal dat later van haar overnemen.

In de vijfde en laatste hymne spreekt Protennoia of Eerste Gedachte.  Zij daalt drie keer af. Zij noemt zichzelf Barbelo (NHC XIII 1, 38). Zij spreekt in een lange en schitterende redevoering, waarvan hier enkele delen volgen:
Ik ben Protennoia....
De Eerste Gedachte die in het Licht verblijft.
Ik ben de beweging die in alles is,
Waardoor het Al in stand wordt gehouden…

Ik ben het beeld van de onzichtbare Geest,
en door mij heeft het Al vorm gekregen
en ik ben de Moeder, het Licht...
De onbevattelijke moederschoot
de onbegrensbare en onmetelijke Stem…(38).

...Want, let op ik kom naar beneden,
naar de wereld der stervelingen
omwille van mijn deel dat daarin aanwezig is
vanaf de dag dat de argeloze Sophia overwonnen werd… (40)

Ik ben de eerste die afdaalde
Vanwege het deel van mij dat achtergebleven is
Dat is: de Geest die nu in de ziel woont (41)
De godsvonk of Geest is het deel van haar dat is achtergebleven in duisternis en dat zij komt redden.
…luister naar mij, de Taal van de Moeder van jullie genade…(44)
ik ben het die de levensadem legt
in hen die mij toebehoren
en de eeuwige Heilige Geest
heb ik in hen uitgestort (45)
Ik droeg ieders omhulsel (lichaam)
en ik verborg mij in hen (47)
Ik hield mij verborgen in hen allen
tot de tijd dat ik mijzelf mocht openbaren… (49).


Protennoia spreekt de taal van de genade. En zal zich nu openbaren om de mens te redden. De verlossende functie van de joodse Sophia en de gnostische Barbelo/Sophia gaan indirect over op de christelijke Sophia. Deze heeft een zoon Christus. Door de christenen wordt haar verlossingwerk later op Hem betrokken. Hij zal nederdalen in het dodenrijk (1Petrus 3,19). Hij zal de zielen redden, zoals Sophia voor hem deed. Maar ooit verloste God de Moeder Sophia zelf. Daarom lees je in joods-christelijke en gnostische teksten dat Barbelo/Sophia Jezus zendt om haar reddingswerk voort te zetten. Jezus is haar afgezant. De eerste christenen kennen haar. Judas kent haar. En wij nu ook.



 Auteur:© Annine van der Meer
 Dr Annine E. G. van der Meer is godsdiensthistoricus en 
 theoloog. Zij promoveerde in 1989 bij Professor Gilles
 Quispel op gnosis en de vrouwelijke kant van God in het
 oerchristendom. Voorjaar 2006 is van haar hand het boek
 ‘Van Venus tot Madonna, een verborgen geschiedenis’
 verschenen. Dit boek is een speurtocht naar de
 verborgen vrouwelijke kant van God. Archeologie, kunst,
 mythen en hymnen worden onderzocht om het verloren
 beeld terug te vinden. Op 6 september 2008 is haar
 nieuwe boek Van Sophia tot Maria. De wedergeboorte
 van de verborgen Moeder in de 21e eeuw verschenen.
 Hierin voert zij een pleidooi voor de invoering van een
 vierde testament waarin apocriefe en canonieke teksten
 geïntegreerd met elkaar gelezen worden. Najaar 2009 zal
 haar nieuwe boek uitkomen met als titel Venus, van idool
 tot icoon. Beeldatlas van 30.000 jaar venuskunst.

 Zij is de oprichter en voorzitter van Academie PanSophia kenniscentrum matriarchaat en eenheidsbewustzijn. De Academie stelt zich onder andere ten doel de vrouwelijke God, de vrouwelijke waarden en de bijdragen van vrouwen in oude en hedendaagse culturen te (her)ontdekken en uit te dragen.
Zie Academie PanSophia
Haar eigen werk wordt in beeld gebracht op haar eigen website