Laatste oordeel

Ik stond vertwijfeld in het gras.
Ik zag de bloemen ongeboren
verbitt'ren in hun vale knoppen.
De bomen rezen toegevroren
en naakt uit het verdoemd gewas.
 


De stilte werd een dreigend gonzen.
De vogels schenen uitgedord
tot in hun laatste chromosomen.
Ik wilde aan die dood ontkomen,
ik voelde in mij uitgestort,
het ganse wrede leven bonzen.
 

De zon verblindde hel en koud.
De wateren slonken immer meer,
Het ongeordend stof alleen
kolkte soms werv'lend langs mij heen.
Ik wist van haat noch tegenweer -
ik stolde tot een cambrisch zout.

© Victor Westhoff






De hogepriesteres

Zij is het die mij staag omarmt en voedt,
en toch mijn oordeel niet door haar laat wegen.
Al 't aardse leven wordt door haar behoed
totdat het zijn bestemming heeft gekregen.
 

Er is in haar geen kwaad, maar ook geen goed.
Aan mij het vonnis of er is misdreven.
Zij leert mij handelen uit zo'n overvloed
dat zelfs de man, die stumper, wordt vergeven.
 

Gij, Grote Moeder, die mijn lot bepaalt,
ik heb u niet te loven noch te danken,
want in ons diepste wezen zijn wij één.
 

Waar ook ons ritueel van u verhaalt,
vereert de wereld u in duizend klanken,
in kruid en boom, in vogel, dier en steen.
 

© Victor Westhoff





Zeearend

Scherp en blinkend uitgesneden
staat hij tegen winterluchten,
door het joelend grauw gemeden.
Eenzaam zijn de lange vluchten
die hem naar de golven stuwen
met hun overstortend schuimen,
waar zijn veren nors verruwen.
Stormen dwingt hij naar zijn luimen.
Leeg en bijtend staan de ogen,
die naar zilte kimmen reiken.
Zwijgt de wind - hij is ontvlogen,
weet in steilten hoog te wijken.

© Victor Westhoff

 





Haft

 

Zij aarzelt reeds, te sterven of te zweven;

haar dag verbleekt, de nevels zwellen aan,

en van haar levenstaak is zij ontheven:

waarom niet van haar naakt verkleumd bestaan?

 

Haar gouden oog ziet nog den schemer beven;

zij wil niet als een blad verloren gaan,

zwiert óp zich in een laatste vlucht te geven

en dwarrelt dan van maan tot rimpelmaan.

 

Haar leven glansde als een snel gedicht,

uit starre grensgebieden losgezongen

naar spanning van een zwevend evenwicht,

 

dat, in subtiele onwaarschijnlijkheid

aan eigen strofen steeds opnieuw ontsprongen,

zijn eigen wetten tot het eind belijdt.

© Victor Westhoff

 





Reïncarnatie

 

Ongeboren nog, en zonder streven.

Wereldwijd, doch aarzelend om te leven.

Vederlicht, zwaar van herinneringen

Zonder stem, toch zwevend om te zingen.

 

Dan doorgloeit de dageraad het Al,

Stil verkondend wie nu komen zal:

Welbewust verengd en zonder vrezen,

In de wil, een enkeling te wezen.

 

© Victor Westhoff, 31 augustus 1997





Najaar

De tinten van mijn duinen zijn verstorven
en tot een ander leven ingekeerd.
Het licht heeft honderdvoudig omgezworven
en al zijn gloed en straling opgeteerd.
Als een gewonde vogel neergezonken
is het door late bloemen ingedronken.

De klanken van mijn duinen zijn herboren
in 't vagevuur van een verbeten storm.
De krekel zweeg, de koekoek ging verloren,
doch zee en meeuwen vonden ruwer vorm.
Al norser vlagen woeden door de bomen.
De wind rukt huilend aan mijn snelle dromen.

De geuren van mijn eiland zijn vervlogen.
Doodstil aroom van witte orchideeën
werd uitgeroeid het duin heeft ingezogen
de bitt're wiergeur van de brandingzeeën.
Wie nu alleen is kan geen rust meer vinden -
en knakt, gelijk de laatste zomerwinde.

© Victor Westhoff





Atlantisch najaar

De herfst bevangt het eiland ongemerkt
Geen storm verast het - zweeg de wind er ooit? -
noch vlammend koper dat de bomen tooit;
het bronzen lover, schaars, dat traag verwerkt
het lage kille licht, raakt nauw verstrooid,
wordt havelozer en tot roest gelooid.
De vogels suizen luider, zwartgevlerkt,
van zee tot zee, waar niets hun vlucht beperkt.

Zo ook de mens, door wind en zee getaand,
die in het vlagend zand zijn akker ploegt
en wier de stormnacht naar de stranden slaat.

Wie in de branding om zijn leven zwoegt
weet van geen herfst die hem tot rusten maant:
hem vindt zijn laatste storm aan zee paraat.

© Victor Westhoff





Adagio voor november

De velduil wiekt met donzen slag
onhoorbaar door den valen dag,
en uil na uil schijnt op te klimmen:
een trage vlucht van weeke schimmen.

De mist woelt om de naakte berken.
Zij druppen stugger, nu zij merken
dat zelfs hun gratie schade lijdt
van sluwen guren winternijd.

Jeneverbessen staan als draken
de heide spoken te bewaken.
Het bruin gewas verdoezelt snel,
de mossen echter groenen fel.

Een doodelijke stilte schroeft
elk schepsel, dat er dralend toeft
in leegen nevel, grel en kil,
waar zelfs geen eekhoorn springen wil.

Wel buit'len nog de meezen, ijl
en zwart, in sparren norsch en steil.
Bijwijlen hun beschroomde zang,
optintelend: "waartoe? hoelang?"

© Victor Westhoff





Deltastroom

Trager vliegen wie u zagen,
en zij aarz'len en zij wiegen
op hun smalle vleugelslagen
naar uw wieling zich te wagen:
zou de verre kust bedriegen?

Lager naad'ren u de wolken
door geen biosfeer gedragen,
en zij scheren langs uw kolken,
schuin ineen met nevelvlagen
door de wilde winterdagen.

Langs uw zwartverlaten stranden
dalen af de biezenvolken,
duiken uit uw brakke zanden,
priemen in den mist als dolken,
van uw diepten strenge tolken.

In uw stemmen opgenomen
zijn wij van onszelf ontheven,
en gij eischt in onze droomen
dat wij vluchten in uw stroomen
want uw vloed beheerscht ons

© Victor Westhoff





LANGUEDOC

October

Voor Sietze

Vergelend vuur, tot zegen zult ge dooven;
beloken gloed van wit en zengend licht,
wij willen in uw milden schijn gelooven,
verzacht ons oog en schroeiend aangezicht.

De beken droogden in de leege kloven,
het krakend kruid lag dor en zonder wicht.
Er komen blauwe schaduwen geschoven;
een snelle regen, lauw, is teruggezwicht.

Nu rijpen ijlings violette druiven
en bitter geuren roosmarijnenheiden;
de roode aarde bloeit tot winter open.

De groene paden worden weer beloopen
door wie zich voor den purp'ren oogst bereiden,
herboren in hun gang en hunk'rend wuiven.

© Victor Westhoff





Midgard

In de wilgenwinde
zingt de droomgezwinde
lindegaal zijn zomerzinnelied.
Zinnend wil de hinde
zwenken, zoeken, vinden
wat geen wind, geen winter nog verried.

Nevelzonneregen
dreef de wolkenwegen
samen in een ongewis verschiet.
Gaal en hinde zwegen,
gaan verborgen wegen,
door geen sterveling, geen oog bespied.

© Victor Westhoff




Vier kwartijnen

Chamaenerion

Wilgeroosjes wiegen in de wind.
Niemand weet waarom; alleen een kind
Ziet de hemel nu de aarde kussen
En ervaart door beide zich bemind.
 

De hemel gaf het licht in onze ogen.
Van onze aarde zijn wij uitgevlogen
Om haar van hemellicht vervuld te zien:
Ons enig voorrecht en ons hoogst vermogen
 

Geen lied of wel een vogel die het zingt.
Geen stof ofwel een meester die haar dwingt.
Maar hoe het leven tot een beeld te kneden,
Waar beeld na beeld het vorige verdringt?
 

De wetenschap is slechts een tijdverdrijf
Waarmee ik in mijn rol van burger blijf.
De liefde is de inzet van mijn leven.
De opdracht Gods die ik gans onderschrijf.

© Victor Westhoff
 




Juninacht


Donk're aarde, zomerwarm en traag,
helle nachten zien u schemervaag
zwaar en broeiend in uw kluis,
wijl de witte berkeblaren
wind vergaren
in een ademlicht gesuis.

Woelt in u wellicht uw bloed onstuimig?
Maar een kleed van smele zilverpluimig
overwuift uw zwoel geheim,
en de bomen die gij voortbracht,
in de voornacht
mijden hoog uw reuk van thijm.

Moeder van de berken en abelen
hoog verrijzend boven nevelsmele,
weten zij nog van uw thuis,
die u voor de nacht verzaken,
die zo ademloos ontwaken
in een ademlicht gesuis?

© Victor Westhof





Lichtende zee


Voor N.

Weer breekt om ons het diep geluid
van nachtelijke branding uit,
nu wij het hooge donk're land
verlaten voor het helder strand.
De duizelende sterrenpracht
schijnt zich te spiegelen in het zacht
flonk'rend getintel, waar wij gaan
in 't zand, verradend onze baan:
duizenden zeevonken, nog nat,
na vloed als schuim uiteengespat:
stervende worp van 't bleeke lichten
waarin de zee glanst; bij het zwichten
der golven straalt het helderder,
over de branding vloeiend ver.

Geen vreugde is zoo ijl en diep
als ingaan waar dit licht ons riep,
de koele deining tegemoet
stuwend ons lichaam, zachten gloed
omarmend in een wijden slag,
doordrongen van een vreemd ontzag.
Elke beweging sterkt het licht,
om mij vloeit zilver, mijn gezicht
lijkt milden maanglans uit te stralen,
en waar ik zwem met forsche halen
blijft nog een zilverscheem'rend spoor -
gaat in de deining weer teloor.

Als onze liefde is deze zee,
wijd, eindeloos, waarin ik gleê:
eeuwig bewegend, eeuwig zingend,
altijd zichzelf, het leven dwingend,
in zich opnemend al het leed
tot diepten waar geen meer van weet,
opvangend elken donk'ren druk,
dragend ons fonkelend geluk
en lichtend in een teederen gloed
als ik je, koel en zacht, ontmoet...


© Victor Westhoff





Zaad

Zwellend vastgebeten
aan de doem der aarde
zullen wij ontkiemen,
door een drift bezeten
naar een eind’lijk weten
wie ons wezen baarde.
Hagel zal ons striemen,
vuur wil ons verschroeien,
regen ons vergeten,
maar wij zúllen groeien,
door de drift bezeten
naar een hoger gaarde,
in een eind’lijk bloeien
ons volmaakt te weten.


© Victor Westhoff
(1916-2001)